Streep door btw aftrek gemeenten bij terbeschikkingstelling sportaccommodaties

25 augustus 2021

De aftrek van voorbelasting bij terbeschikkingstelling van sportaccommodaties door gemeenten staat al enige tijd ter discussie met wisselende uitkomsten in de gerechtelijke procedures. Afgelopen maand zijn er een tweetal nieuwe uitspraken verschenen. Zo heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant zich uitgesproken over een terbeschikkingstelling van gymzalen door een gemeente aan scholen. De Rechtbank zette een streep door de btw aftrek vanwege het toegepaste kasrondje. In een andere casus oordeelde het Hof Amsterdam eveneens dat de gemeente geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. Door het samenstel van prestaties over en weer te bezien, kwalificeert volgens het Hof de terbeschikkingstelling van voetbalvelden door een gemeente als verhuur van onroerende zaken en niet als dienstverlening in de zin van het gelegenheid geven tot sportbeoefening. 

Hieronder hebben we beide casussen kort toegelicht en gaan wij in op de aandachtspunten die dit heeft voor uw praktijk.

Rechtbank: door kasrondje geen dienst onder bezwarende titel

Een gemeente stelt sportaccommodaties ter beschikking aan scholen ten behoeve van het bewegingsonderwijs. Hiervoor stuurt de gemeente vanuit de afdeling Sport een factuur met btw aan de scholen. De scholen declareren deze kosten vervolgens bij de afdeling Onderwijs van gemeente, die de kosten vergoedt aan de scholen. Door dit kasrondje drukken er feitelijk geen kosten op de scholen en komt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant tot het oordeel dat de gemeente in wezen geen vergoeding heeft bedongen (geen dienst onder bezwarende titel). Dit heeft volgens de Rechtbank tot gevolg dat de gemeente niet handelt als btw-ondernemer bij de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties aan scholen en ook geen recht heeft op aftrek van voorbelasting ten aanzien van de kosten die zij maakt of gemaakt heeft met betrekking tot deze sportaccommodaties. 

Gerechtshof: terbeschikkingstelling sportvelden vormt verhuur van onroerende zaken

Een gemeente stelt sportparken ter beschikking aan twee voetbalverenigingen. Hiervoor komt zij met de voetbalverenigingen een gebruiksovereenkomst overeen, waarbij de gemeente voor het beheer en onderhoud van de velden gaat zorgen. Daarnaast komt de gemeente ook een opdrachtovereenkomst met de voetbalverenigingen overeen waarbij de voetbalvereniging tegen een vergoeding het beheer en (klein dagelijks) onderhoud van de velden gaat verrichten. 

De gemeente is van mening dat er voldoende aanvullend dienstbetoon is om de terbeschikkingstelling aan de verenigingen te kwalificeren als het gelegenheid geven tot sportbeoefening (een dienst belast met het verlaagde btw tarief). De inspecteur is echter van mening dat de terbeschikkingstelling kwalificeert als vrijgestelde verhuur onroerende zaken. 
Het Hof Den Haag heeft in een eerdere uitspraak de gemeente in het gelijk gesteld. Echter, de Hoge Raad heeft deze uitspraak gecasseerd en terugverwezen naar het Hof. 


Het Hof Amsterdam komt tot een ander oordeel. Dit Hof stelt eerst vast dat de kwalificatie van de terbeschikkingstelling moet worden bezien vanuit het samenstel van onderling afgesproken prestaties. Dus ook de opdrachtovereenkomst moet hierin meegewogen worden. Het Hof erkent dat aanvullend dienstbetoon (bijvoorbeeld het beheer en onderhoud) kan worden uitbesteed aan een derde zonder dat dit afbreuk doet aan het actieve karakter van de terbeschikkingstelling. Maar nu het beheer en onderhoud bij de huurder zelf is komen te liggen, is er volgens het Hof geen sprake meer van ‘uitbesteding’. Het aanvullend dienstbetoon wat overblijft is volgens het Hof van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een actieve terbeschikkingstelling die verder gaat dan alleen de verhuur van onroerend goed. Met andere woorden, het Hof gaat in de stelling van de inspecteur mee dat de terbeschikkingstelling kwalificeert als vrijgestelde verhuur van onroerende zaken. De gemeente heeft daardoor geen recht op aftrek van voorbelasting ten aanzien van de kosten met betrekking tot de sportaccommodaties.  


Overigens is in beide procedures het gerechtelijk oordeel nog niet definitief. Partijen zouden in hoger beroep dan wel in cassatie kunnen gaan. Let op inzake de casus van de sportvrijstelling geldt dat dit een casus betreft voor de verruiming van de sportvrijstelling. Sinds 1 januari 2019 kunnen alleen commerciële sportaccommodaties nog btw-belast gelegenheid geven tot sportbeoefening. 

Wat zijn aandachtspunten voor uw praktijk?

Ondanks dat bovenstaande gerechtelijke uitspraken vrij specifiek en feitelijk van aard zijn, bevestigt deze jurisprudentie wel dat casusposities inzake de terbeschikkingstelling van  vastgoed moeten worden bezien vanuit het samenstel van transacties en/of verbintenissen. De rechter kijkt door kasrondjes heen of beoordeeld een prestatie in het licht van alle prestaties die er over en weer tussen partijen plaatsvinden. Dit onderschrijft het belang van een integrale beoordeling van alle feiten, transacties en overeenkomsten die aan een bepaalde casuspositie ten grondslag liggen. Laat dus uw vastgoed exploitaties met bijbehorende financieringsstromen beoordelen door uw adviseur. Wij denken graag met u mee voor de optimale werkwijze.  

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.