Eiseres is een gemeentelijk ondernemersfonds, dat de belangen behartigt van ondernemers binnen de betreffende gemeente. Zij kwalificeert niet als ondernemer voor de omzetbelasting. Op basis van twee bepalingen uit het Besluit Omzetbelasting Aftrek van Omzetbelasting (het Besluit) stelt Eiseres dat de door haar gemaakte kosten toch voor aftrek in aanmerking komen. De Rechtbank verwerpt dit betoog, omdat Eiseres niet aannemelijk heet gemaakt dat de leden van het ondernemersfonds zijn aan te merken als ondernemers voor de omzetbelasting.
Feiten en omstandigheden
Eiseres is een gemeente breed ondernemersfonds van een specifieke gemeente. Volgens haar statuten behartigt zij de belangen van ondernemers in brede zin. Deze belangenbehartiging kent meerdere vormen. Zo treedt Eiseres op als contactpartner van de gemeente bij de bekostiging van collectieve ondernemersbelangen en financiert zij plannen die het lokale ondernemersklimaat bevorderen. Ter financiering van deze activiteiten heft de gemeente extra onroerendezaakbelasting (ozb) op alle niet-woningen. Eiseres weet zelf, om AVG-redenen, niet wie de eigenaren van deze niet-woningen zijn.
Eiseres kan om laatstgenoemde reden niet zelf berekenen in hoeverre zij recht heeft op aftrek van voorbelasting. Zij huurt de Servicegemeente Dordrecht in om dit voor haar te berekenen. De Servicegemeente komt tot de conclusie dat 83% van de servicegemeenten aftrekgerechtigd is voor de omzetbelasting en dat 17% dit niet is. Eiseres heeft voor alle kwartalen van 2023 verzocht om teruggaaf van omzetbelasting. Deze verzoeken zijn afgewezen door de Belastingdienst. Eiseres stelt dat zij op basis van de goedkeuringen in paragraaf 5.2.6.1 en/of paragraaf 5.2.6.2 van het Besluit recht heeft op aftrek van voorbelasting. Er zou immers ook recht op aftrek worden genoten wanneer de goederen en diensten die aan haar zijn geleverd, rechtstreeks zouden zijn geleverd aan de ondernemers wier belangen zij behartigt. Volgens de Belastingdienst voldoet de Eiseres echter niet aan de voorwaarden van het Besluit.
Het oordeel van de Rechtbank
De Rechtbank Den Haag begint met het benoemen van de voorwaarden van de goedkeuring van paragraaf 5.6.2.1 en 5.6.2.2 van het Besluit. Als wordt voldaan aan de volgende cumulatieve voorwaarden, kunnen ondernemersverenigingen en Bedrijven Investeringszone Stichtingen (BIZ-stichtingen) de in rekening gebrachte btw (deels) in aftrek brengen.
1: De vereniging moet de zakelijke belangen van ondernemers behartigen en bij de vereniging mogen uitsluitend ondernemers of ondernemersverenigingen zijn aangesloten.
2: De btw is alleen aftrekbaar voor zover de betaalde btw niet is toe te rekenen aan prestaties waarvoor de vereniging kwalificeert als ondernemer.
3: De btw is alleen aftrekbaar voor zover de kosten die de vereniging maakt feitelijk worden gedragen door de aangesloten ondernemers.
4: Btw-aftrek voor de vereniging is alleen mogelijk als de btw op de goederen en diensten, wanneer deze rechtstreeks aan de ondernemers i.p.v. aan de vereniging geleverd zouden worden geleverd, door de aangesloten ondernemers in aftrek kunnen worden gebracht.
Na deze uiteenzetting stelt de Rechtbank dat op de Eiseres de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat zij aan bovengenoemde voorwaarden voldoet. Daarin is zij volgens de Rechtbank niet geslaagd, nu reeds niet wordt voldaan aan de eerste voorwaarde. Dit komt doordat eiseres in haar statuten een andere definitie van btw‑ondernemerschap hanteert dan de Wet op de omzetbelasting (en daarmee ook het Besluit). In de statuten van eiseres worden onder ondernemers verstaan: ‘belastingplichtige eigenaren en gebruikers in de categorie niet‑woningen binnen het bereik van de onroerendezaakbelasting in de gemeente’. De Wet op de omzetbelasting kwalificeert daarentegen als btw‑ondernemer: ‘ieder die zelfstandig een bedrijf uitoefent’.
Vanwege het feit dat de statuten van Eiseres een (voor de omzetbelasting) verkeerde definitie van btw-ondernemerschap hanteren, leidt er volgens de rechter toe dat Eiseres niet aan de eerste voorwaarde van paragraaf 5.6.2.1 en 5.6.2.2 van het Besluit voldoet. De Rechtbank hoeft het ondernemersfonds daarom ook niet aan meer de overige voorwaarden van deze paragrafen te toetsen.
De Rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiseres kan de aan haar in rekening gebrachte btw niet in aftrek brengen.
Het belang voor de praktijk
(Gemeentelijke) ondernemersfondsen dienen goed op te letten welk ondernemersbegrip zij hanteren in haar statuten. Wanneer zij recht op aftrek van voorbelasting wenst te genieten, is het relevant om het ondernemersbegrip in de statuten af te stemmen op het ondernemersbegrip dat de Wet op de omzetbelasting hanteert. Als een ander ondernemersbegrip wordt gehanteerd kan dit leiden tot een weigering van aftrek van omzetbelasting, zo blijkt uit deze zaak.
Meer weten?
Heeft u vragen of opmerkingen? Neem contact op met onze btw-specialist Nikita Brameijer, Marian Roberti of uw vaste aanspreekpunt. Wij helpen u graag!