Rechtbank Gelderland trekt een grens bij btw-structuren rond onderwijshuisvesting. Ondanks formele voorwaarden voor aftrek blijven de naheffingsaanslagen in stand, omdat de structuur vooral was gericht op btw-voordeel. Waar ligt die grens?
Achtergrond
De zaak draait om de verbouwing van een schoolgebouw voor voortgezet onderwijs. De stichting die eigenaar is van het gebouw, vroeg de gemeente om een financiële bijdrage voor de revitalisatie. De gemeenteraad stemt hiermee in, vanwege het belang van goed bereikbaar onderwijs.
Na een aanbestedingsprocedure gunt de stichting de renovatie van het gebouw aan een bouwbedrijf voor € 6.832.093 (inclusief btw). Vervolgens heeft de stichting van de gemeente een subsidie van circa € 3 miljoen ontvangen om de renovatie te financieren.
Op advies van een externe belastingadviseur sluit de gemeente een contract met de stichting, waarbij zij verantwoordelijk wordt voor het beheer van de renovatie. Daarmee treedt de gemeente niet alleen op als subsidieverstrekker, maar ook als formele opdrachtgever. Een extern adviesbureau berekent dat deze structuur een btw-voordeel van ongeveer €400.000 kan opleveren. De gemeente sluit vervolgens overeenkomsten met de betrokken bouwpartijen en brengt de btw op de verbouwingskosten in aftrek.
De inspecteur corrigeert deze aftrek enkele jaren later via naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2015 en 2016. Volgens de inspecteur is sprake van misbruik van recht, omdat de gemeente feitelijk als tussenpersoon optreedt.
In beroep staat centraal of de gemeente recht heeft op aftrek van voorbelasting. Daarbij speelt onder meer de vraag of de gemeente als afnemer kan worden aangemerkt, of zij een economische activiteit verricht en of sprake is van misbruik van recht.
Uitspraak rechtbank
De rechtbank volgt de inspecteur niet op alle punten. Zo kwalificeert de gemeente volgens de rechtbank wél als afnemer van de verbouwingsprestaties. Zij sluit de overeenkomsten met de bouwondernemers en is verplicht de facturen te betalen. Dat ook de schoolstichting belang heeft bij de verbouwing, doet daar niet aan af.
Ook verricht de gemeente volgens de rechtbank een economische activiteit. De stichting betaalt een vergoeding voor de verbouwingsdienst. Die ligt weliswaar lager dan de totale bouwkosten, maar dat is niet doorslaggevend: de stichting betaalt circa 63% van de kosten terug. Daarmee bestaat nog steeds een rechtstreeks verband tussen de verbouwing en de vergoeding.
Verder verwerpt de rechtbank het beroep van de inspecteur op het BUA. De gemeente neemt een deel van de kosten voor haar
rekening vanuit het algemeen belang van goed onderwijs. Volgens de rechtbank is daarom geen sprake van een relatiegeschenk of andere gift in de zin van het BUA.
Toch verliest de gemeente de zaak. De rechtbank oordeelt dat de constructie primair is opgezet om btw-voordeel te behalen: de stichting heeft geen of een beperkt recht op aftrek, terwijl de gemeente volledig kan terugvorderen. Daarmee is sprake van misbruik van recht. Als de stichting zelf opdrachtgever was geweest, had zij geen recht gehad op aftrek van voorbelasting. Door de gemeente in die rol te plaatsen, ontstaat wel een btw-voordeel.
Volgens de rechtbank blijkt uit objectieve factoren dat dit btw-voordeel het wezenlijke doel van de structuur is. Zo was het externe advies expliciet gericht op het behalen van btw-voordeel en wees ook het verslag van een kick-off meeting daarop. De gemeente geeft bovendien geen andere steekhoudende verklaring, zoals een economische of commerciële rechtvaardiging.
De rechtbank handhaaft daarom de naheffingsaanslagen. De verzuimboetes vernietigt zij wel: gelet op de stand van de jurisprudentie mocht de gemeente haar standpunt destijds redelijkerwijs verdedigbaar achten.
Gevolgen voor de praktijk
Deze uitspraak is relevant voor gemeenten, onderwijsinstellingen en andere partijen die samenwerken bij maatschappelijk vastgoed. De uitspraak laat zien dat formele contracten en facturen niet altijd doorslaggevend zijn. Ook als een gemeente als afnemer optreedt en een economische activiteit verricht, kan aftrek alsnog stranden op misbruik van recht.
Voor de praktijk betekent dit dat fiscale motieven achter een structuur scherp moeten worden beoordeeld. Een btw-voordeel mag een rol spelen, maar niet het wezenlijke doel vormen. Gemeenten moeten daarom kunnen uitleggen waarom zij een bepaalde rol innemen, zoals die van tussenkomende partij. Die uitleg moet verder gaan dan het behalen van aftrek en steunen op duidelijke economische of commerciële redenen.
De uitspraak onderstreept tot slot het belang van goede documentatie. Denk aan adviezen, interne stukken en vergaderverslagen, en aan een zorgvuldige beoordeling en vastlegging daarvan.
Meer weten?
Heeft u vragen of opmerkingen? Neem contact op met onze btw-specialist Nikita Brameijer, Marian Roberti of uw vaste aanspreekpunt. Wij helpen u graag!