Iedere burger heeft het recht om bezwaar te maken tegen een besluit van een overheidsorgaan. Om ervoor te zorgen dat iedereen weet waar hij aan toe is, is het van belang dat de bezwaren juist en tijdig worden ingediend. Een te laat ingediend bezwaarschrift kan leiden tot niet-ontvankelijkheid.
Welke regels gelden er als er een discussie ontstaat over de vraag of iemand tijdig in bezwaar en/of beroep is gegaan? In zo’n geval geldt de verzendtheorie. In dit artikel lichten wij de verzendtheorie nader toe.
In beginsel moet de belanghebbende ervoor zorgen dat zijn bezwaar-of beroepschrift binnen de voorgeschreven termijn van 6 weken is ingediend. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt en loopt af op 00.00 uur op de laatste dag van de termijn.
Artikel 6:9 lid 1 Awb geldt als uitgangspunt om te kunnen beoordelen of een stuk tijdig is ingediend. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Dit wordt ook wel de ontvangsttheorie genoemd.
Soms heeft de belanghebbende niet in de hand wanneer het stuk ontvangen wordt door het bestuursorgaan. Bijvoorbeeld als belanghebbende ervoor kiest om het stuk per post te verzenden. Om dit probleem te kunnen ondervangen heeft de wetgever in lid 2 een aanvullende bepaling opgenomen.
Wat is de verzendtheorie?
De verzendtheorie is een aanvullende grond die specifiek geldt voor stukken die per post of middels de elektronische weg zijn verzonden. Op grond van artikel 6:9 lid 2 Awb is een stuk ook tijdig ingediend, indien voor het einde van de termijn ter post bezorgd is, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De eerste eis van de verzendtheorie is dat het stuk voor het einde van de termijn ter post bezorgd is. Hiermee wordt bedoeld dat de verzender het stuk in een brievenbus of bij een postkantoor gebracht moet hebben. Voorheen werd alleen aan dit vereiste voldaan als het bezwaarschrift in een PostNL brievenbus gedeponeerd werd, maar in 2020 hebben de CRvB en ABRvs geoordeeld dat ook verzending via een andere postvervoerder volstaat. Dit dient de belanghebbende wel aannemelijk te maken.
De tweede eis is dat het stuk uiterlijk een week na afloop van de beroepstermijn ontvangen moet zijn. Dit dwingt de belanghebbende om een manier van verzenden te kiezen die ervoor zorgt dat het desbetreffende bezwaar tijdig ontvangen wordt. Dit betekent dat soms van de belanghebbende verwacht mag worden dat hij het stuk eerder ter post brengt.
Verzending per post
Tot voor kort was het verzenden van een bezwaar- of beroepschrift per post de meest gebruikelijke indieningswijze. Indien er discussie ontstaat over of het stuk wel is verzonden en zo ja, of het op tijd is verzonden kan grote bewijsproblematiek ontstaan.
Als het stuk per gewone post verzonden wordt, blijft vaak onduidelijkheid bestaan over de datum van verzending. Dit komt voor het risico van de indiener. Aangezien de datum van ontvangst voor de verzendtheorie niet zo belangrijk is als de datum van verzending worden er ook aan de ontvangstregistratie van het bestuursorgaan redelijke kwaliteitseisen gesteld. Mocht het bestuursorgaan niet aan deze eisen voldoen, dan kan in het geval van discussie over de tijd van verzending en ontvangst van het stuk in het voordeel van de belanghebbende worden geoordeeld.
Om de bewijsproblematiek te voorkomen wordt aangeraden om de stukken aangetekend te verzenden. In dat geval bevat het ontvangstbewijs een datum en feit van indiening.
Verzending langs elektronische weg
Sinds 1 januari 2026 zijn bestuursorganen verplicht om de elektronische indiening van bijvoorbeeld een bezwaarschrift mogelijk te maken. Dit betekent dat de regels voor de verzending van de stukken per post steeds iets minder relevant zullen worden.
Wat betreft de bewijsregels gelden voor stukken die via de e-mail verzonden worden ongeveer dezelfde regels als voor stukken die per post verzonden worden. Als de ontvangst van de e-mail wordt betwist is het aan de verzender om het ontvangst aannemelijk te maken. Als de verzender kan aantonen dat het bericht naar het juiste e-mailadres is verstuurd, dan is er sprake van een gerechtvaardigd ontvangstvermoeden. Het is vervolgens aan de ontvanger om b.v. aan de hand van beoordeling van de inkomende mails van de betreffende dag aannemelijk te maken of de mail is ontvangen.
Conclusie
Om te controleren of de belanghebbende binnen de wettelijke termijn de stukken heeft ingediend moet artikel 6:9 Awb geraadpleegd worden. In dit artikel heeft de wetgever de ontvangst- en verzendtheorie geformuleerd. De verzendtheorie is relevant als de belanghebbende zijn stukken per post of langs de elektronische weg ingediend heeft. De verzendtheorie houdt in dat de belanghebbende zijn stukken tijdig heeft ingediend, als de stukken voor de afloop van de termijn ter post zijn bezorgd en het bestuursorgaan de stukken uiterlijk een week na het verlopen van de termijn heeft ontvangen.
Meer weten?
Neem contact op met lokale belastingen specialist Olga.menger@fiscaliade.nl of 06 123 44 782 of uw vaste aanspreekpunt.