Aftrek van btw voor tijdelijk gratis toegankelijk muziekfestival met gemeentelijke subsidie

12 april 2022

Een stichting organiseert jaarlijks een multicultureel muziekfestival. Op het terrein is ook een informatiemarkt aanwezig en daarnaast verzorgt de stichting ook de verstrekking van spijzen en dranken. Met het oog op het winnen van bekendheid, heeft de stichting besloten in de eerste jaren na het oprichten van het festival geen entrée te vragen. Het geheel wordt bekostigd met gemeentelijke subsidies, de horecaomzet, verpachtingen en sponsorbijdragen.
De rechtbank heeft in deze casus aangegeven dat de stichting volledig recht op aftrek van btw heeft ook al is er sprake van een gratis te bezoeken muziekfestival. In dit artikel lichten wij deze uitspraak toe en de voorwaarden voor dit recht op btw aftrek.


Om in aanmerking te komen voor het recht op aftrek van voorbelasting moet er sprake zijn van ondernemerschap voor de btw. Een belangrijke voorwaarde voor dit ondernemerschap is dat de belastingplichtige prestaties moet verrichten binnen het economisch verkeer tegen een bezwarende titel (economische activiteiten). Wanneer een partij dus enkel presteert zonder hier een vergoeding voor overeen te komen, kan hier in beginsel dus ook geen sprake zijn van ondernemerschap. Uit jurisprudentie is gebleken dat er uitzonderingen bestaan op deze hoofdregel. In een recent gewezen uitspraak is de rechtbank ingegaan op de vraag of een dergelijke uitzondering van toepassing zou kunnen zijn met betrekking tot een gratis te bezoeken muziekfestival. Secundair was de vraag of het gehaal aan prestaties hier als één geheel moest worden gezien. In dit artikel lichten wij deze uitspraak toe.


De casus

Een stichting organiseert jaarlijks een multicultureel muziekfestival. Op het terrein is ook een informatiemarkt aanwezig en daarnaast verzorgt de stichting ook de verstrekking van spijzen en dranken. Met het oog op het winnen van bekendheid, heeft de stichting besloten in de eerste jaren na het oprichten van het festival geen entree te vragen. Het geheel wordt bekostigd met gemeentelijke subsidies, de horecaomzet, verpachtingen en sponsorbijdragen.


In het geschil was of de stichting wel recht heeft op aftrek van voorbelasting nu het merendeel van haar activiteiten bestond uit prestaties om niet. De inspecteur gaf aan dat er alleen een aftrekrecht kan zijn wanneer en voor zover er sprake is van economische activiteiten. Wanneer er geen vergoeding wordt gevraagd voor de meeste prestaties, kan er in ieder geval voor dat deel ook geen sprake zijn van economische activiteiten.


De rechtbank oordeelt dat het muziekfestival, de catering, de informatiemarkt, de standverhuur en de marketing dienen te worden gezien als één onsplitsbaar geheel van activiteiten en daarnaast dat deze op een commerciële basis plaatsvindt. Uit een verklaring bleek namelijk dat de stichting altijd het doel had om binnen een paar jaar tegen vergoeding te gaan presteren en dat het initieel om niet presteren bedoeld was om eerst een marktaandeel te verkrijgen. Omdat deze initiële handelingen plaats vonden met het oog op latere economische activiteiten zouden deze ondernemerschap niet in de weg staan. De stichting heeft derhalve recht op aftrek van het velledige bedrag van de aan haar berekende voorbelasting.


Aandachtspunten

Een paar punten verdienen extra aandacht. Allereerst lijkt de rechtbank nieuwe inzichten te geven op de invulling van eerdere jurisprudentie. Uit eerdere jurisprudentie was al gebleken dat ‘voorbereidende activiteiten’ met het oog op latere belastbare prestaties, dienen te worden gezien als economische activiteiten en dus aftrekrecht met zich mee brengen. De besproken uitspraak geeft aan dat het om niet presteren met het oog op de verkrijging van een marktaandeel, ook onder deze noemer kan vallen. Vraag blijft natuurlijk waar precies de grenzen liggen. Dit zal nog tot discussie leiden tussen belastingplichtige en de Belastingdienst.


Opvallend is verder de samenvoeging van alle activiteiten in één onsplitsbare activiteit op grond van de nauwe onderlinge samenhang van het geheel. Activiteiten dienen in beginsel elk apart te worden beoordeeld tenzij een splitsing ‘kunstmatig’ zou zijn. De invulling van dit leerstuk is niet altijd eenduidig en het is dan ook een goede feiten analyse te doen in de praktijk.


Een laatste punt van aandacht is de vraag wat er gaat gebeuren met de aan de organisatie verstrekte subsidies. Subsidies aan ondernemers kunnen namelijk belast zijn afhankelijk van of er een rechtstreeks verband bestaat tussen de subsidie en de prestatie (het gaat om een ‘vergoeding’) en of er sprake is van verbruik van de prestatie door een aan te wijzen afnemer. Dit zal moeten worden bepaald op grond van eerdere jurisprudentie.


Meer weten?

Wij hebben meerdere casussen gehad als deze en helpen u graag verder hierin. Wilt u meer weten over de gevolgen of wilt u weten wat dit voor uw organisatie in de praktijk betekent? Aarzel dan niet contact op te nemen met Nikita Brameijer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.