Geen verlaagd Btw-tarief voor alcoholhoudend pauzedrankje theatervoorstelling, of wel?

14 april 2026

De Hoge Raad oordeelt dat het verstrekken van een alcoholhoudend pauzedrankje geen bijkomende prestatie vormt die deelt in het verlaagde BTW-tarief voor de theatervoorstelling.

Het verlaagd btw-tarief kan mogelijk alsnog van toepassing zijn, omdat de zaak is verwezen naar het Hof met de vraag of naheffing in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het is nog afwachten hoe het Hof deze vraag zal beantwoorden. In dit artikel gaan we verder op dit geschil in.

Achtergrond

Stichting X exploiteert een theater waarbij de toegangsprijs voor een theatervoorstelling voor bezoekers mede recht geeft op één alcoholvrij of alcoholhoudend pauzedrankje. In haar Btw-aangiften past X op de alcoholhoudende drankjes het normale tarief toe. Later stelt zij zich op het standpunt dat uitsluitend het verlaagde tarief van toepassing is en verzoekt zij om teruggaaf van de te veel betaalde Btw. Na deze teruggaaf legt de inspecteur een naheffingsaanslag op.  

Geschil

In eerste instantie staat de vraag centraal of het verstrekken van het alcoholhoudende pauzedrankje kan worden aangemerkt als een bijkomende prestatie die meedeelt in het verlaagde tarief voor de hoofdprestatie, te weten het verlenen van toegang tot een voorstelling (als bedoeld in post b.14 van de bij de Wet op de omzetbelasting behorende Tabel I).

Oordelen Hof en Hoge Raad

Volgens Hof ‘s-Hertogenbosch zijn in eerste instantie twee zelfstandige prestaties te onderkennen. Vervolgens oordeelt het Hof echter dat het verstrekken van het pauzedrankje een bijkomende prestatie vormt die deelt in het verlaagde tarief van de hoofdprestatie, overeenkomstig de opvatting van X. Volgens het Hof vormt het pauzedrankje voor de modale consument geen doel op zich. Het pauzedrankje kan worden beschouwd als een aantrekkelijk tussendoortje of aantrekkelijke afsluiting van het theaterbezoek, waarvan nuttigen uitsluitend mogelijk is voor bezoekers van een voorstelling (en het de stress wegneemt van het apart afrekenen in de pauze en/of bij de garderobe). Daarom kan volgens het Hof worden uitgegaan van één enkele prestatie die belanghebbende verricht, bestaande uit meerdere elementen, die moeten worden belast tegen het tarief van het hoofdelement, ook al is mogelijk om de omvang van de vergoeding voor elk element te bepalen.

 

De Hoge Raad gaat niet mee in deze opvatting. Voor de toepassing van de omzetbelasting moet elke handeling normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd. De Hoge Raad oordeelt dat het pauzedrankje ten opzichte van de voorstelling een afzonderlijk belang voor bezoeker vormt en dat het nuttigen van het drankje niet van belang is voor het bijwonen van de theatervoorstelling. Het drankje wordt in het gebouw van het theater verstrekt, maar niet tijdens de voorstelling. Op basis van deze vaststellingen kan dat drankje dus niet een middel zijn om optimaal gebruik te maken van het bijwonen van de voorstelling.

 

Het tijdens de pauze of na afloop van een voorstelling (kunnen) nuttigen van een drankje moet voor de bezoeker als een doel op zich worden beschouwd. Het verstrekken van het pauzedrankje kan daarom niet worden aangemerkt als een bijkomende prestatie die deelt in het verlaagde tarief (9%) voor de hoofdprestatie. Voor het alcoholhoudende drankje moet dus het reguliere tarief (21%) toegepast worden.

 

De zaak is hiermee echter nog niet afgedaan. De Hoge Raad verwijst naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor de vraag of de naheffing in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Als deze vraag bevestigd wordt, dan kan in het specifieke geval vanwege opgewekt vertrouwen het alcoholhoudende drankje alsnog onder het verlaagde tarief vallen.

 

Gevolgen voor de praktijk

De uitspraak van de Hoge Raad laat zien dat hoewel er één toegangsprijs voor een theatervoorstelling wordt gevraagd inclusief een pauzedrankje, dit nog niet betekent dat het drankje daarmee opgaat in de totale theatervoorstelling (of een bijkomende prestatie vormt die de hoofdprestatie volgt).

 

Het is van belang om altijd naar de specifieke elementen te kijken om te beoordelen of sprake is van een ondeelbare prestatie, een of meer zelfstandige prestaties, en of nog sprake is van samengestelde prestaties (hoofd/nevenprestatie).

Meer weten?

Heeft u vragen of opmerkingen? Neem contact op met onze btw-specialist Nikita Brameijer, Marian Roberti of uw vaste aanspreekpunt. Wij helpen u graag!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

4. Verantwoording

In de verantwoording komen we bij het laatste deel van de P&C cyclus, namelijk de jaarstukken. Het college legt verantwoording af aan de raad over het gevoerde beleid. Realisatie en coördinatie van de jaarstukken, maar ook de accountantscontrole, zijn altijd piekmomenten in het jaar. Wij kunnen hier veel voor u betekenen.  

3. Beheersing & Toezicht

Sinds 2023 moet het college een rechtmatigheidsverklaring afgeven aan de raad. Het is hierdoor extra urgent geworden om de interne beheersing goed voor elkaar te hebben. Een goed ingericht risico- en procesmanagement. Hier zit een hele wereld achter om als organisatie in control te komen. Wij helpen u hiermee graag verder. 

2. Sturing & informatie

Onder sturing & informatie vallen de financiële producten van de planning & control cyclus. Dus de begroting en de tussenrapportages. De kadernota valt hier deels onder, maar past meer onder kaders & beleid. Wij kunnen u begeleiden in de totale P&C cyclus. Realisatie, coördinatie & doorontwikkeling. 

1. Kaders & beleid

De kadernota is de opmaat voor een begroting. Het college kan hier samen met de raad een start maken met nieuw beleid. Wij kunnen u begeleiden met de realisatie van de kadernota. Maar ook bij het doorrekenen van scenario’s en risico’s. Advisering over haalbaarheid en strategische keuzes. En tot slot kunnen wij u ook ondersteunen bij de actualisatie van financiële verordeningen en nota’s.

Laatste nieuws

Komende opleidingen