In dit artikel doen wij u een overzicht toekomen van door ons geselecteerde, interessante jurisprudentie of regelgeving.
Relevante jurisprudentie lokale belastingen
Fiscaal bestuurs(proces)recht
Procesvoering gemachtigde in strijd met norm beroepsmatige rechtsbijstand [ECLI:NL:GHAMS:2026:2447] | Lees meer >>
Geen uitstel mondelinge behandeling vanwege belang voortvarende procesgang terecht [art. 81 Wet RO] [ECLI:NL;HR:2026:1445] | Lees meer >>
Vermenigvuldigingsfactor 0,125 terecht bij no cure no pay bedrijfsmodel gemachtigde [ECLI:NL:RBOBR:2026:5762] | Lees meer>>
Mentale problemen maken termijnoverschrijding bezwaar niet verschoonbaar [ECLI:NL:RBZWB:8647] | Lees meer >>
Niet tijdig motiveren pro forma hoger beroep leidt tot niet-ontvankelijkheid [ECLI:NL:HR:2026:1414] | Lees meer >>
Elektronische verzending uitspraak op bezwaar via Zivver rechtsgeldig bekendgemaakt [ECLI:NL:GHDHA:2026:2793] | Lees meer >>
Verzuimboete blijft ondanks schending van de hoorplicht in stand [ECLI;NL:GHARL:2026:6020] | Lees meer >>
Nederlandse immateriëleschadeverogeding verenigbaar met EVRM en Handvest [ECLI:NL:2026:1415] | Lees meer >>
WOZ
WOZ-beschikking en aanslag verenigbaar met EVRM [art.80a Wet Ro] [ECLI:NL:HR:2026:1450] | Lees meer >>
Eigen koopprijs bruikbaar voor WOZ ondanks emotionele aankoopredenen [ECLI:NL:RBNNE:2026:3648] | Lees meer >>
WOZ-waarde NSW-landgoed niet te hoog door eigen verkoopcijfer [ECLI:NL:RBGEL:2026:7159] | Lees meer >>
Verlaging WOZ-waarde door gebrekkige onderbouwing waardevaststelling woning [ECLI:NL;RBOBR:2026:6870] | Lees meer >>
Hoofgebouw en appartementen van zorgcomplex geen samenstel voor Wet WOZ [ECLI:NL:GHARL:2026:5304] | Lees meer >>
WOZ-waarde kinderdagverblijf gehandhaafd; heffingsambtenaar maakt restwaarden aannemelijk [ECLI:NL:GHAMS:2026:2748] | Lees meer >>
- WOZ-waarden woonzorgcentra gehandhaafd; wel vergoeding voor immateriële schade [ECLI:NL:GHARL:2026:5744] | Lees meer >>
Previcus geen bijzonder geval: proceskostenvergoeding gematigd op grond van art. 30a Wet WOZ [ECLI:NL;RBDHA:2026:29441] | Lees meer >>
OZB
- Indirecte differentiatie van OZB-tarieven via teruggaafregeling niet toegestaan [ECLI:NL:HR2026:1629] | Lees meer >>
Parkeerbelasting
Betwiste kostenposten naheffingsaanslag parkeerbelasting vallen binnen verhaalbare kostenlimiet [ECLI:NL:GHARL:2026:5539] | Lees meer >>
Niet voltooid betalingsproces bij parkeerautomaat rechtvaardigt naheffingsaanslag parkeerbelasting [ECLI:NL:RBOVE:2026:5272] | Lees meer >>
Defecte parkeerautomaat levert geen overmacht op bij naheffing parkeerbelasting [ECLI:NL:RBNNE:2026:3774] | Lees meer >>
Parkeerder draagt risico van onjuiste zoneselectie door GPS-onnauwkeurigheid in parkeerapp [ECLI:NL:GHAMS:2026:2433] | Lees meer >>
Onvoldoende inzicht in kostenramingen leidt tot onverbindendheid verhaalbare kosten [ECLI:NL:GHARL:2026:5873] | Lees meer >>
Kortstondig keren in parkeervak is geen parkeren [ECLI:NL:RBNHO:2026:8705] | Lees meer >>
Naheffingsaanslag op basis van onverbindende verordening leidt tot kostenvergoeding bezwaar [ECLI:NL:RBZWB:2026:9386] | Lees meer >>
Fout in het GPS-systeem van de gemeente komt voor rekening heffingsambtenaar[ECLI:NL:RBZWB:2026:8719] | Lees meer >>
Reclamebelasting
Aanslag reclamebelasting vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing oppervlakte en reclamevoorwerpen [ECLI:NL:RBNNE:2026:3899] | Lees meer >>
Toeristen- en forensenbelasting
Mondelinge afspraak over gebruik tweede woning niet aannemelijk: aanslag forensenbelasting blijft in stand [ECLI:NL:RBZWB:2026:8981] | Lees meer >>
Forensenbelasting terecht geheven; bewijslast ten aanzien van hoofdverblijf [ECLI:NL:GHSHE:2026:2269] | Lees meer >>
Forensenbelasting terecht bij volledige zeggenschap over woning van bv [ECLI:NL:RBNHO:2026:10931] | Lees meer >>
Leges
- Geen leges voor TAM-omgevingsplan wegens publiek belang bij bestemmingswijziging [ECLI:NL:RBMNE:2026:5729] | Lees meer >>
- Beperkt nadeel door ontbreken duurzaamheidskorting leges niet onevenredig [ECLI:NL:RBOVE:2026:5277] | Lees meer >>
- Kenbaarheid legestarief niet te beoordelen door ontbreken oorspronkelijke legesverordening ECLI:NL:RBGEL:2026:7158] | Lees meer >>
Afvalstoffen- en rioolheffing
Afvalstoffenheffing verschuldigd ondanks eigen afvalverwerking en verdwijnen containers [ECLI:NL:RBZWB:2026:8850] | Lees meer >>
Fiscaal bestuurs(proces)recht
Procesvoering gemachtigde in strijd met norm beroepsmatige rechtsbijstand [ECLI:NL:GHAMS:2026:2447]
Belanghebbende maakt bezwaar tegen de WOZ-beschikkingen en aanslagen van 14 woningen. Het bezwaarschrift bevat de zinsnede “en uitdrukkelijk ook alle andere aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook“, maar bevat uitsluitend gronden die zien op de WOZ-waarden. De rechtbank verklaart twee beroepen gegrond en kent proceskostenvergoeding toe. In hoger beroep dient de gemachtigde van belanghebbende een wrakingsverzoek in, die hij vervolgens weer intrekt. Ook verzoekt hij een heropening van het onderzoek. In geschil is of de procesvoering van de gemachtigde gevolgen heeft voor de beoordeling en of de rechtbank ten onrechte het verzoek om immateriële schadevergoeding heeft afgewezen en een te lage bezwaarkostenvergoeding heeft toegekend.
Volgens het Hof Amsterdam heeft de gemachtigde geprocedeerd in strijd met hetgene wat van haar als een beroepsmatige rechtsbijstandverlener mag worden verwacht. Daarbij komt dat de gemachtigde de rechtbank en wederpartij overlaadt met niet onderbouwede stellingen. Het Hof gaat daarom enkel in op de tijdig ingebrachte en duidelijk beargumenteerde gedingstukken. De vastgestelde WOZ-waarden worden gehandhaafd, wel wordt er een immateriële schadevergoeding toegekend voor het overschrijden van de redelijke termijn.
Geen uitstel mondelinge behandeling vanwege belang voortvarende procesgang terecht [art. 81 Wet RO] [ECLI:NL;HR:2026:1445]
Belanghebbende gaat in bezwaar en [hoger] beroep tegen een aanslag IB/PVV 2016 ontvangen. In beroep vraagt belanghebbende om uitstel van de mondelinge behandeling. De rechtbank wijst dit verzoek af en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep vraagt belanghebbende nogmaals om uitstel van de mondelinge behandeling, vanwege ziekte. Ook het hof wijst dit verzoek af. Volgens het Hof heeft de rechtbank terecht geen uitstel verleend voor de mondelinge behandeling. De voortvarende procesgang is belangrijker dan het belang van belanghebbende om aanwezig te zijn.
Vermenigvuldigingsfactor 0,125 terecht bij no cure no pay bedrijfsmodel gemachtigde [ECLI:NL:RBOBR:2026:5762]
De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde van een bedrijfsobject vast en legt een aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar niet-woning op. Na bezwaar verlaagt de heffingsambtenaar de waarde en kent een proceskostenvergoeding van € 161,76 toe, berekend met een vermenigvuldigingsfactor van 0,125 op grond van art. 30a Wet WOZ. Belanghebbende stelt beroep in tegen de hoogte van deze vergoeding.
Aangezien er geen no cure no pay-afspraak geldt, maar een ‘normale’ opdracht betoogt de gemachtigde dat er sprake is van een bijzonder geval. Hiervoor overlegt hij een volmacht, twee offertes en de algemene voorwaarden van het kantoor. De vraag is nu of de heffingsambtenaar terecht de vermenigvuldigingsfactor van 0,125 van art. 30a lid 1 Wet WOZ heeft toegepast.
De rechtbank stelt dat de gemachtigde van belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Uit de volmacht blijkt namelijk dat de gemachtigde wel optreedt op basis van no cure no pay, en ook de offertes bevestigen dit beeld. Daarnaast is er geen informatie overlegd waaruit blijkt dat de proceskostenvergoeding de gemaakte kosten niet ver overtreft. Hierdoor is niet aantoonbaar dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een van de drie kenmerken uit het 30a-arrest van de Hoge Raad bezit.
Mentale problemen maken termijnoverschrijding bezwaar niet verschoonbaar [ECLI:NL:RBZWB:8647]
Belanghebbende heeft een gedeelte van 2017 ingeschreven gestaan op een adres in Nederland en krijgt daarom verschillende naheffingsaanslagen opgelegd met boetebeschikkingen. Belanghebbende schrijft zich uit de Basisregistratie Personen zonder nieuw adres door te geven, beëindigt zijn eenmanszaak en richt een BV op waarbij hij het Nederlandse adres opgeeft. Belanghebbende heeft zijn verblijf in die periode gedeeltelijk in Polen en stelt te kampen met ernstige mentale problemen. Het bezwaar wordt ver na afloop van de bezwaartermijn ontvangen. De inspecteur verklaart de bezwaren daarom niet-ontvankelijk.
De rechtbank gelooft dat belanghebbende mentale problemen heeft gehad, maar stelt ook vast dat belanghebbende in diezelfde periode wel administratieve handelingen heeft verricht, zoals het oprichten van een BV. De termijnoverschrijding is daarom niet verschoonbaar.
Niet tijdig motiveren pro forma hoger beroep leidt tot niet-ontvankelijkheid [ECLI:NL:HR:2026:1414]
Belanghebbende is pro forma in hoger beroep gegaan. De gronden daarvan zijn volgens het hof niet binnen de termijn voor herstel van het verzuim ingediend. Het beroep is daarom niet ontvankelijk. Op de laatste dag van de termijn is verzocht om verlenging, maar dit is dezelfde dag afgewezen. Belanghebbende gaat daarom in verzet en cassatie.
De rechter is op grond van artikel 47 Handvest grondrechten EU niet verplicht om de gestelde termijn voor het aanvullen van gronden te verlengen, als deze zonder opgaaf van redenen verstrijkt. Het niet ontvankelijk verklaren van het beroep wegens het niet tijdig indienen van gronden is dan ook niet strijdig met het EU-recht. De Hoe Raad oordeelt het beroep van belanghebbende dan ook ongegrond.
Elektronische verzending uitspraak op bezwaar via Zivver rechtsgeldig bekendgemaakt [ECLI:NL:GHDHA:2026:2793]
Belanghebbende heeft via ene gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking. De uitspaak op bezwaar is door de heffingsambtenaar op 24 december 2022 via Zivver naar het e-mailadres van gemachtigde gestuurd. Op 27 juni 2023 gaat de gemachtigde in beroep, waarna de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
In het beroep stelt de gemachtigde dat hij niet expliciet kenbaar heeft gemaakt dat hij via Zivver bereikbaar is. Volgens het hof is de uitspraak op bezwaar wel door de juiste wijze bekendgemaakt met de verzending via Zivver. De gemachtigde heeft expliciet kenbaar gemaakt dat hij langs de elektronische weg bereikbaar is. Aangezien de heffingsambtenaar al eerder met gemachtigde heeft gecommuniceerd via Zivver heeft hij hiervan gebruik mogen maken. Het beroep is dus te laat ingediend.
Verzuimboete blijft ondanks schending van de hoorplicht in stand [ECLI;NL:GHARL:2026:6020]
Belanghebbende is het niet eens met een verzuimboete van 385 euro voor het te laat indienen van een aangifte. Belanghebbende stelt dat hij de uitnodiging voor de aangifte en de aanmaning nooit heeft ontvangen en dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur de hoorplicht inderdaad heeft geschonden, maar dat de verzuimboete in stand kan blijven. Belanghebbende heeft aan de inspecteur laten weten dat hij gehoord wilde worden voordat er uitspraak op bezwaar zou worden gedaan. De inspecteur had belanghebbende in de gelegenheid moeten stellen om gehoord te worden, ondanks dat de in de vooraankondiging gestelde reactietermijn al was verstreken. Het hof vernietigt de uitspraak op bezwaar wegens schending van de hoorplicht, maar laat de rechtsgevolgen ervan in stand.
Nederlandse immateriëleschadeverogeding verenigbaar met EVRM en Handvest [ECLI:NL:2026:1415]
De rechtbank Den Haag kent in een procedure over een BPM naheffingsaanslag immaterieleschadevergoeding toe. Belanghebbende stelt hoger beroep en cassatie dat de jurisprudentie van het EHRM recht geeft op een vergoeding van 1500 euro of meer. Echter, de Hoge Raad oordeelt dat de EHRM-rechtspraak niet eist dat nationale compensatiebedragen identiek zijn aan de bedragen van het EHRM zelf. Lidstaten mogen hun eigen regels hanteren. De Nederlandse immaterieleschadevergoeding is daarom niet in strijd met het EHRM. Ook het algemene uitgangspunt in de Nederland, dat een redelijke termijn in eerste aanleg twee jaar is, is prima verenigbaar met artikel 47 Handvest. Het cassatieberoep van belanghebbende is ongegrond.
WOZ
WOZ-beschikking en aanslag verenigbaar met EVRM [art.80a Wet Ro] [ECLI:NL:HR:2026:1450]
De heffingsambtenaar heeft voor de woning van belanghebbende de WOZ-waarde vastgesteld op €534.000 en legt gelijktijdig de onroerendezaakbelasting op. Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat de beschikking en de aanslag in strijd zijn met artikel 1 EP EVRM en artikel 13 EVRM en dat een eerdere WOZ-beschikking ongeldig is door dagtekening op een zondag.
Het Hof stelt dat de waardebepaling en de heffing op basis van de Wet WOZ binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever vallen. Dit levert geen schending op van artikel 13 EVRM. Er is ook geen rechtsregel die verbiedt om de beschikking op zondag te dagtekenen. Alle grieven falen en het hoger beroep is ongegrond. De hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Eigen koopprijs bruikbaar voor WOZ ondanks emotionele aankoopredenen [ECLI:NL:RBNNE:2026:3648]
Belanghebbende heeft een vrijstaande woning gekocht voor €910.000, terwijl de vraagprijs €735.000 bedraagt. De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €907.000. Belanghebbende maakt bezwaar tegen de aanslag onroerendezaakbelastingen en bepleit een waarde van €663.000. De heffingsambtenaar verklaart het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelt.
Volgens de rechtbank is de door belanghebbende betaalde koopprijs bruikbaar voor het bepalen van de WOZ-waarde, ook al zijn er emotionele redenen bij de aankoop betrokken. Volgens de rechtspraak weerspiegelt een eigen koopprijs rond de waarde peildatum in de regel de waarde in het economisch verkeer.
WOZ-waarde NSW-landgoed niet te hoog door eigen verkoopcijfer [ECLI:NL:RBGEL:2026:7159]
Belanghebbende is eigenaar van een landhuis dat onderdeel is van een NSW-landgoed met een grondoppervlakte van 9,49 ha. In oktober 2021 wordt de onroerende zaak verkocht voor €1.722.600. De WOZ-waarde wordt op waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op €713.000. Hierbij wordt door de heffingsambtenaar een bestemmingswaarde factor van 20%, een extra waarde druk van 10% en een aanvullende aftrek voor de rijksmonumentale status toegepast. Belanghebbende bepleit een waarde van €447.000, waarbij hij wijst op de waarde van voorgaande jaren en achterstallig onderhoud.
De rechtbank oordeelt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Een vergelijking met voorgaande jaren slaagt niet, omdat de waarde jaarlijks opnieuw bepaald wordt. Ook is met achterstallig onderhoud al rekening gehouden door de bestemmingswaarde factor. Daarbij speelt mee dat de onroerende zaak ruim twee maanden voor de waardepeildatum is verkocht voor €1.722.600. Belanghebbende slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de koopsom niet de waarde in het economisch verkeer weergeeft. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Verlaging WOZ-waarde door gebrekkige onderbouwing waardevaststelling woning [ECLI:NL;RBOBR:2026:6870]
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning op een NSW-landgoed. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van de WOZ-waarde en voert hierbij aan dat de waardering niet inzichtelijk is.
De rechtbank oordeelt dat de waarde onderbouwing van de heffingsambtenaar inderdaad gebrekkig is. Er wordt in de stukken nergens inzichtelijk gemaakt hoe de instandhoudingsfactor van –13,5% tot stand is gekomen. Daarnaast wordt door de rechtbank vastgesteld dat twee van de drie vergelijkingsobjecten bijna anderhalf jaar na de waardepeildatum verkocht zijn en dat bij het derde object een onjuiste indexering is toegepast. Belanghebbende slaagt er ook niet in de door hem bepleitte waarde aannemelijk te maken, dus de rechtbank stelt de waarde in goede justitie lager vast.
Hoofgebouw en appartementen van zorgcomplex geen samenstel voor Wet WOZ [ECLI:NL:GHARL:2026:5304]
Belanghebbende huurt een wooncomplex dat bestaat uit een hoofdgebouw en 24 appartementen voor de huisvesting van dak- en thuislozen. De appartementen beschikken elk over eigen sanitair en een keuken. De heffingsambtenaar heeft het complex afgebakend als 25 WOZ-objecten. Belanghebbende maakt bezwaar, omdat er volgens hem sprake is van een samenstel.
Het Hof oordeelt dat er geen sprake is van en samenstel. De individuele bewoners zijn de feitelijke gebruikers van de appartementen, het feit dat er geen huurcontracten met de bewoners bestaan doet hier niets aan af. De bewoners wonen voor een belangere tijd van gemiddeld 7 jaar in de woning met een functionele zelfstandigheid. De heffingsambtenaar heeft het complex op de juiste wijze afgebakend.
WOZ-waarde kinderdagverblijf gehandhaafd; heffingsambtenaar maakt restwaarden aannemelijk [ECLI:NL:GHAMS:2026:2748]
Belanghebbende huurt een gedeelte van een onroerende zaak dat als kinderdagverblijf wordt gebruikt. De WOZ-waarde is door de heffingsambtenaar vastgesteld op 357.000 euro, waarbij een taxatierapport is overlegd waarbij is aangesloten bij archetype O115PA12. Belanghebbende legt in beroep een eigen taxatierapport over, waarin hij stelt dat er lagere restwaardepercentages moeten worden toegepast. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het Hof Amsterdam, omdat de bewijslast over de restwaarden eerder onjuist verdeeld was.
Volgens het verwijzingshof kunnen de restwaarden niet enkel met kengetallen uit de Taxatiewijzer onderbouwd worden en laat deze getallen daarom buiten beschouwing. De drie vergelijkbare verkopen die de heffingsambtenaar heeft overlegd acht het Hof wel voldoende vergelijkbaar. Met deze verkoopgegevens heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de restwaarden niet te hoog zijn berekend. Het hoger beroep is daarom ongegrond.
WOZ-waarden woonzorgcentra gehandhaafd; wel vergoeding voor immateriële schade [ECLI:NL:GHARL:2026:5744]
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van vier verschillende woonzorgcentra en krijgt voor 2022 de OZB-aanslagen opgelegd. In geschil is of de WOZ-waarden te hoog zijn vastgesteld en meer specifiek of de berekening van de technische correctie een te hoge restwaarde is gehanteerd.
Het Hof stel dat de waarde van de objecten moet worden bepaald op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De bewijslast ten aanzien van de restwaarden rust, in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft aangenomen, op de heffingsambtenaar. Dit is zo omdat belanghebbende uitgangspunten van de Taxatiewijzer niet heeft aanvaard. Wel heeft de heffingsambtenaar de gehanteerde restwaarde voldoende onderbouwd met analyses van markttransacties van vergelijkbare objecten. Deze methode acht het Hof juist. Wel ontvangt belanghebbende een immateriële schadevergoeding, omdat de termijn in eerste aanleg met ruim twee maanden is overschreden.
Previcus geen bijzonder geval: proceskostenvergoeding gematigd op grond van art. 30a Wet WOZ [ECLI:NL;RBDHA:2026:29441]
Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de WOZ-waarde en eist proceskostenvergoeding. Volgens belanghebbende is haar gemachtigde, Previcus, niet langer werkzaam op basis van no cure no pay en mot zij worden aangemerkt als een bijzonder geval.
De rechtbank oordeelt dat de gemachtigde wel voldoet aan de drie voorwaarden van een no cure no pay bureau en dus onder de lage proceskostenvergoeding van art. 30a Wet WOZ. De Hoge Raad oordeelde dat de verlaagde proceskostenvergoeding niet geldt als de gemachtigde niet voldoet aan de volgende kenmerken; 1) optreden op basis van no cure no pay, 2) verplichte afdracht vergoedingen aan gemachtigde en 3) vergaande overdekking. Er is dan sprake van een bijzonder geval em dan geldt geen gematigde proceskostenvergoeding.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat zij niet voldoen aan voorwaarde 1, maar de rechtbank stelt dat op basis van onder andere de volmachten wel blijkt dat belanghebbende werkt op basis van no cure no pay. De startfee en besparingsfee die de gemachtigde in rekening brengt, doen hier niet aan af, omdat niet kan worden aangetoond dat deze tarieven structureel in rekening gebracht worden en er een wezenlijk financieel risico voor cliënten is.
OZB
Indirecte differentiatie van OZB-tarieven via teruggaafregeling niet toegestaan [ECLI:NL:HR2026:1629]
De belanghebbenden zijn eigenaar en/of gebruiker van een bedrijfspand in de gemeente Súdwest-Fryslân. In die gemeente betalen eigenaren en gebruikers van niet-woningen een opslag op de OZB die wordt gebruikt voor de financiering van een ondernemersfonds. Belanghebbenden zijn het niet eens met deze opslag, omdat bepaalde groepen deze opslag door een teruggaafregeling terugkrijgen. De rechtbank en het Hof hebben geoordeeld dat dit neerkomt op verboden tariefdifferentiatie. Er wordt namelijk materieel onderscheid gemaakt tussen groepen belastingplichtigen.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij de beoordeling of gemeentelijke OZB-tarieven in strijd zijn met de Gemeentewet moet niet alleen naar de tarieven in de verordening gekeken worden, maar ook naar de teruggaafregelingen die de hoogte van het tarief indirect beïnvloeden. De Gemeentewet kent drie vormen OZB: eigenarenbelastingen woningen, eigenarenbelasting niet-woningen en gebruikersbelastingen niet-woningen. De tarieven tussen die categorieën mogen verschillen, maar binnen een categorie niet [art. 220f lid Gemeentewet]. Dat verbod ziet niet alleen op progressieve tarieven, maar op iedere vorm van differentiatie, ongeacht het doel. Bij de toetsing aan art. 220f lid 1 Gemeentewet moet bovendien ook worden gekeken naar besluiten buitenom de OZB-verordening die beogen de hoogte van de tarieven voor bepaalde (groepen van) belastingplichtigen in feite te verlagen. Ook daardoor kan namelijk een verboden differentiatie van de tarieven ontstaan. Dat geldt ook wanneer die feitelijke verlaging, zoals in dit geval, plaatsvindt via een retributieregeling van een privaatrechtelijke rechtspersoon aan wie een deel van de opbrengst van de belasting wordt betaald. Het Hof heeft de verordening terecht onverbindend verklaard voor zover het tarief betrekking heeft op de opslag.
Parkeerbelasting
Betwiste kostenposten naheffingsaanslag parkeerbelasting vallen binnen verhaalbare kostenlimiet [ECLI:NL:GHARL:2026:5539]
Een scanauto heeft geconstateerd dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd zonder de vereiste parkeerbelasting te voldoen. Hiervoor wordt door de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag opgelegd van €70,80. De naheffingsaanslag bestaat uit €2,20 parkeerbelasting en €68,80 kosten. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verlaagd en een bezwaarkostenvergoeding vastgesteld. In hoger beroep is in geschil of de doorberekende kosten bij de naheffingsaanslag binnen de verhaalbare kostenlimiet vallen.
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van de doorberekende kosten. De betwiste kostenposten, waaronder kosten van parkeerautomaten, invorderingskosten, kapitaallasten en overheadkosten, hangen meer dan zijdelings samen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting en vallen daarom binnen de verhaalbarekostenlimiet. Er bestaat daarom geen aanleiding de kosten van de naheffingsaanslag verder te verminderen.
Niet voltooid betalingsproces bij parkeerautomaat rechtvaardigt naheffingsaanslag parkeerbelasting [ECLI:NL:RBOVE:2026:5272]
Bij controle om 13:03 blijkt dat de auto van belanghebbende geparkeerd staat, zonder dat er een geldig parkeerrecht bestaat. De heffingsambtenaar legt hiervoor naheffingsaanslag op. Belanghebbende overlegt vervolgens een bankafschrijving, waaruit blijkt dat er via Apple Pay €1 euro is afgeschreven, die de bank de volgende dag weer terugstort. De heffingsambtenaar legt vervolgens een overzicht over waaruit blijkt dat de transactie bij de parkeerautomaat de status ‘onvolledig’ heeft en de bankstatus ‘ingetrokken’ luidt. In beroep is in geschil of de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd, omdat de belanghebbende stelt ten goede trouw betaald te hebben, maar dat het betalingsproces per abuis niet is voltooid.
Volgens de rechtbank is de heffingsambtenaar erin geslaagd aannemelijk te maken dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan. Dit blijkt uit de overlegde stukken. Het feit dat er aan de zijde van belanghebbende geen opzet of schuld was is niet relevant voor de bevoegdheid tot naheffing, aangezien de parkeerbelasting een objectieve belasting is.
Defecte parkeerautomaat levert geen overmacht op bij naheffing parkeerbelasting [ECLI:NL:RBNNE:2026:3774]
Belanghebbende heeft zijn auto geparkeerd in Heerenveen. Er geldt op deze locatie betaald parkeren, maar omdat de parkeerautomaat niet werkt heeft belanghebbende een briefje met deze boodschap achter zijn voorruit geplaatst. De controleur constateert even later dat er geen parkeerkaartje zichtbaar is in de auto, waarna de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag oplegt. Belanghebbende maakt bezwaar. Hij stelt dat hij door zijn leeftijd, de regen, de harde wind en een eerdere longontsteking niet naar een ander automaat kan lopen. De heffingsambtenaar verklaart dit bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende in beroep gaat.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar heeft voldaan aan de bewijslast om aan te tonen dat belanghebbende de parkeerbelasting niet heeft voldaan. Er is geen sprake van een overmachtssituatie, omdat belanghebbende nog andere betaalmogelijkheden heeft. Het enkele feit dat de dichtstbijzijnde parkeerautomaat defect is, brengt niet mee dat de gemeente van naheffing moet afzien. Persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders.
Parkeerder draagt risico van onjuiste zoneselectie door GPS-onnauwkeurigheid in parkeerapp [ECLI:NL:GHAMS:2026:2433]
Belanghebbende heeft haar auto geparkeerd en meldt een parkeeractie aan via de Parkline app op haar telefoon. Belanghebbende heeft haar auto aan de Boulevard Barnaart te Zandvoort geparkeerd. Op deze boulevard loopt de gemeentegrens tussen Zandvoort en Bloemendaal, waar aan beide zijden betaald parkeren geldt. De app heeft de locatie van belanghebbende onnauwkeurig betaald, waardoor belanghebbende heeft betaald voor de parkeerzone in de gemeente Bloemendaal in plaats van de gemeente Zandvoort. Hierdoor legt de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag op. Belanghebbende gaat in bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende gegrond, maar het Hof Amsterdam oordeelt anders. Een onjuiste zonesuggestie door GPS-onnauwkeurigheid van de mobiele telefoon valt niet binnen de invloedssfeer van de gemeente. Op de parkeerder rust een onderzoeksplicht om te verifiëren of de door de parkeerapplicatie voorgestelde parkeerzone overeenkomt met de werkelijke parkeerlocatie. Belanghebbende heeft niet aan deze plicht voldaan. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Onvoldoende inzicht in kostenramingen leidt tot onverbindendheid verhaalbare kosten [ECLI:NL:GHARL:2026:5873]
Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting van 67,20 euro opgelegd gekregen. Deze bestaat uit 1,70 euro parkeerbelasting en 65,50 euro kosten. Belanghebbende stelt dat de verhaalbarekostenlimiet is overschreden en stelt hoger beroep in.
Volgens het Hof heeft de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht gegeven in de ramingen van zowel kosten als opbrengsten. De kostenposten zijn onvoldoende gespecificeerd en het geraamde aantal naheffingsaanslagen ontbreekt onderbouwing. Hierdoor kan het Hof niet vaststellen of de geraamde baten uitgaan boven de geraamde kosten. Dit leidt tot onverbindendheid van de in de verordening vastgestelde verhaalbare kosten.
Kortstondig keren in parkeervak is geen parkeren [ECLI:NL:RBNHO:2026:8705]
Belanghebbende staat met zijn auto stil in een parkeervak in Zaandam. De scanauto constateert dat geen parkeerbelasting is voldaan en legt daarom een naheffingsaanslag op. Belanghebbende stelt dat hij zijn auto enkel in het parkeervak had gezet om de scanauto te laten passeren en vervolgens te keren. Foto’s bevestigen dit verhaal, aangezien belanghebbende de handen aan het stuur heeft en de auto schuin in het vak staat met ingedraaid voorwiel.
Volgens de rechtbank heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van parkeren. Op basis van de verklaringen en de foto’s van belanghebbende gaat de rechtbank ervan uit dat belanghebbende het parkeervak inderdaad slechts kortstondig gebruikt om te keren en de scanauto voorbij te laten gaan. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag.
Naheffingsaanslag op basis van onverbindende verordening leidt tot kostenvergoeding bezwaar [ECLI:NL:RBZWB:2026:9386]
Belanghebbende krijgt een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, waarna hij in bezwaar gaat. Na een terugwijzing door de rechtbank verklaart de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond en wordt de naheffingsaanslag ‘uit coulance’ vernietigt. Er wordt geen kostenvergoeding aan de bezwaarfase toegekend door de heffingsambtenaar, omdat de vernietiging volgens hem niet voortvloeit uit een aan hem te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende gaat in beroep.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende wel recht heeft op een kostenvergoeding in bezwaar, omdat de verordening parkeerbelastingen eerder onverbindend is verklaard wegens te hoog vastgestelde kosten. Onderhavig besluit is gesproken na deze uitspraken en daarom onrechtmatig. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
Fout in het GPS-systeem van de gemeente komt voor rekening heffingsambtenaar[ECLI:NL:RBZWB:2026:8719]
Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd gekregen, nadat een scanauto had geconstateerd dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Belanghebbende voert aan dat hij zijn auto had geparkeerd op een locatie die niet was opgenomen in het Aanwijzingsbesluit Parkeerbelastingen. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
De rechtbank stelt dat het aan de heffingsambtenaar is om te bewijzen dat de belastbare feiten, parkeren in een vak waarvoor parkeerbelasting voldaan moet worden, zich hebben voorgedaan. De rechtbank oordeelt dat de locatie niet vermeld staat in het Aanwijzingsbesluit of de Verordening., door een fout in het systeem van de heffingsambtenaar. Het systeem koppelt de GPS coördinaten aan de straat en noemt deze straat vervolgens op de naheffingsaanslag. Dit komt voor risico van de heffingsambtenaar en leidt tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
Reclamebelasting
Aanslag reclamebelasting vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing oppervlakte en reclamevoorwerpen [ECLI:NL:RBNNE:2026:3899]
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende een aanslag reclamebelasting van €400 opgelegd. In geschil is of de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de oppervlakte van de openbare aankondiging meer dan 2 m2 is, en dat er sprake is van meer dan één reclamevoorwerp.
Volgens de rechtbank slaagt de heffingsambtenaar er niet in om aannemelijk te maken dat de openbare aankondiging een oppervlakte heeft van boven de 2 m2. De heffingsambtenaar kan niet verduidelijken hoe de afzonderlijke oppervlakten aan de vier aankondigingen zijn gekoppeld. De heffingsambtenaar maakt ook niet aannemelijk dat sprake is van meer dan één reclamevoorwerp. Alleen de deurmat kwalificeert als reclamevoorwerp. De rechtbank vernietigt de aanslag.
Toeristen- en forensenbelasting
Mondelinge afspraak over gebruik tweede woning niet aannemelijk: aanslag forensenbelasting blijft in stand [ECLI:NL:RBZWB:2026:8981]
Belanghebbende is mede-eigenaar van een woning, zonder daar hoofdverblijf te houden. Belanghebbende maakt bezwaar tegen de aanslag forensenbelasting. Volgens hem is de woning niet gedurende 90 dagen ter beschikking, omdat mondeling met de andere mede-eigenaar [zijn zoon] is afgesproken dat de woning volledig wordt verhuurd.
Volgens de rechtbank is belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er een mondelinge afspraak met zijn zoon bestaat over het gebruik van de woning. De afspraak is namelijk niet nader onderbouwd, en is in strijd met een eerdere stelling van belanghebbende waarin hij zegt dat de eigenaren het huis kunnen gebruiken wanneer het niet wordt verhuurd. Het beroep van belanghebbende is ongegrond.
Forensenbelasting terecht geheven; bewijslast ten aanzien van hoofdverblijf [ECLI:NL:GHSHE:2026:2269]
Belanghebbende is erfpachter van een gemeubileerde woning en staat sinds 2018 op dat adres ingeschreven in de BPR. De heffingsambtenaar heeft in 2021 een aanslag forensenbelasting opgelegd, omdat belanghebbende voor dat jaar ook 399 overnachtingen door verhuur heeft opgegeven voor de toeristenbelasting. Daarnaast heeft belanghebbende een aanvraag ingediend om haar woning als recreatiewoning te legaliseren. De vraag is nu of de forensenbelasting terecht is opgelegd.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende de partij is die aannemelijk moet maken dat hij in de woning zijn hoofdverblijf heeft gehad. Belanghebbende is hier niet in geslaagd. Belanghebbende heeft namelijk regelmatig in een andere woning verbleven, terwijl de woning in onderhavige kwestie werd verhuurd en het verzoek om de woning als recreatiewoning aan te merken versterkt haar standpunt niet. Het beroep is ongegrond.
Forensenbelasting terecht bij volledige zeggenschap over woning van BV [ECLI:NL:RBNHO:2026:10931]
Belanghebbende is directeur-grootdeelaanhouder van een BV, die in 2009 een pand op Texel heeft gekocht als beleggingspand. Belanghebbende maakt samen met zijn gezin gebruik van het pand. Aan belanghebbende is een aanslag forensenbelasting opgelegd. In geschil is of deze aanslag terecht is opgelegd.
De rechtbank is van mening dat de aanslag terecht is opgelegd. Het feit dat belanghebbende eigenaar is van de woning doet niets af van zijn belastingplicht. Belanghebbende heeft de woning meer dan 90 dagen voor zichzelf en zijn gezin beschikbaar gehouden en is daarom belastingplichtig.
Leges
Geen leges voor TAM-omgevingsplan wegens publiek belang bij bestemmingswijziging [ECLI:NL:RBMNE:2026:5729]
Het college van B&W heeft in 2004 aan belanghebbende een vergunning verleent voor het veranderen en het vergroten van het woonhuis. Hiermee wordt impliciet vrijstelling voor het gebruik in strijd met de bestemming verleend, aangezien op het perceel van belanghebbende de bestemming bedrijf rust. Een toegezegde opname van de bestemming wonen blijft uit. Belanghebbende start, om problemen te voorkomen bij een eventuele verkoop, zelf een TAM-omgevingsplanprocedure op. Hij betaalt zelf de kosten. De heffingsambtenaar legt een aanslag van €7000 euro op. In geschil is of de heffingsambtenaar leges kan heffen voor het vaststellen van een TAM-omgevingsplan dat op verzoek van X tot stand komt.
Het vaststellen van de bestemming van gronden in een omgevingsplan dient vooral het publiek belang oordeelt rechtbank Midden-Nederland. De wijziging vindt namelijk plaats met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente. Hoewel in onderhavige situatie indirect sprake is van een individualiseerbaar belang, is dit niet rechtstreeks en in overheersende mate het geval. De legesaanslag wordt vernietigd.
Beperkt nadeel door ontbreken duurzaamheidskorting leges niet onevenredig [ECLI:NL:RBOVE:2026:5277]
BV dient een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een duurzaam distributiecentrum. Hiervoor legt de heffingsambtenaar een legesaanslag op. In de Tarieventabel bij de Verordening op de heffing en invordering van leges bevat een kortingsregeling voor duurzaam bouwen, maar hier valt het distributiecentrum niet onder. In geschil is of de heffingsmaatstaf kenbaar is en of uitsluiting van de duurzaamheidskorting voor bedrijfsgebouwen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De Tarieventabel bevat een voldoende duidelijke definitie voor het begrip bouwkosten. Ook de heffingsmaatstaf is voldoende kenbaar. Aangezien het besluit om ondernemers uit te sluiten van de duurzaamheidskorting geen voldoende motivering kent, acht de rechtbank de voorbereiding van de kortingsregeling onzorgvuldig. Echter, de negatieve gevolgen zijn zo beperkt dat er geen strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep is daarom ongegrond.
Kenbaarheid legestarief niet te beoordelen door ontbreken oorspronkelijke legesverordening ECLI:NL:RBGEL:2026:7158]
Belanghebbende heeft op 5 februari 2024 een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een passieve woning ingediend. Deze wordt door de omgevingsdienst geweigerd, waarna door de heffingsambtenaar een legesfactuur van bijna €10.000 wordt opgelegd. Het geschil ziet enkel op de leges voor de ‘omgevingsplanactiviteit buitenplans’. De gemeente heeft de Legesverordening 2024 herroepen, waarna deze met terugwerkende kracht is vervangen door de Legesverordening 2024-A. Enkel de laatstgenoemde is door de heffingsambtenaar aan de rechtbank overlegd.
De rechtbank is van mening dat zij niet kan controleren of de heffingsambtenaar de legesfactuur tot de juiste hoogte heeft vastgesteld. Doordat de rechtbank uitsluitend de Legesverordening 2024-A heeft overlegd, kan de rechtbank geen vergelijking maken met de oorspronkelijke Legesverordening 2024. De rechtbank kan hierdoor geen vergelijking maken, waardoor het niet mogelijk is om te beoordelen of de wijziging met terugwerkende kracht nadelig heeft uitgewerkt voor belanghebbende, en of het tarief ten tijde van de aanvraag kenbaar was. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en verminderd de legesaanslag met €5299,46.
Afvalstoffen- en rioolheffingen
Afvalstoffenheffing verschuldigd ondanks eigen afvalverwerking en verdwijnen containers [ECLI:NL:RBZWB:2026:8850]
Belanghebbende is eigenaar van een woning met 3 afvalcontainers en een extra papiercontainer. Ook heeft belanghebbende een overeenkomst met een zakelijke afvalverwerker voor een eigen container van 600 liter. Belanghebbende is in bezwaar gegaan tegen de aanslagen afvalstoffenheffing, omdat hij stelt geen gebruik te maken van de gemeentelijke afvalinzameling.
Het feit dat belanghebbende eigen afvalverwerking regelt, doet niets af aan het feit dat de gemeente een wettelijke inzamelplicht heeft en de kosten via afvalstoffenheffing mag verhalen op perceelgebruikers. De rechtbank oordeelt daarom dat de heffingsambtenaar de aanslagen terecht heeft opgelegd.