Rechter verduidelijkt btw-ondernemerschap in het kader van samenwerkingen voor gemeenten.

15 april 2026

Er zijn prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU om tot een antwoord op de volgende twee gestelde vragen te komen.

 

  • Kan een publiekrechtelijke vereniging die in het kader van een beheersoverdracht diensten aan haar leden verricht, op grond van de Btw-richtlijn en het neutraliteitsbeginsel buiten de werkingssfeer van de btw kan vallen?
  • Moet in dit verband een onderscheid moet worden gemaakt tussen leden van de vereniging?

Achtergrond

De vereniging treedt in de plaats van haar leden c.q. als verlengstuk van haar leden in België. Hierdoor worden de diensten en leveringen voor de btw fictief als prestatie aan zichzelf aangemerkt en daarmee niet belast met btw (interne transactie). De Belgische Belastingdienst stelt dat de vergoedingen van later toegetreden leden wel zijn onderworpen aan de btw. De btw-vrijstelling op grond van deze theorie geldt echter enkel voor de leden van Digipolis die als niet-belastingplichtige publiekrechtelijke lichamen in de zin van het Belgische btw-wetboek zijn aan te merken. De toegetreden leden, die als normale belastingplichtigen in de zin van dat wetboek zijn aan te merken, zijn van dat voordeel uitgesloten, aldus de Belastingdienst.

Toepassing btw-richtlijn

De vraag voor de verwijzende rechter was tweeledig, namelijk:

  • of een publiekrechtelijke vereniging, gelet op de Belgische belastingpraktijk en die in het kader van een beheersoverdracht diensten aan haar leden verricht, op grond van de Btw-richtlijn en het neutraliteitsbeginsel buiten de werkingssfeer van de btw kan vallen.
  • Daarnaast wenst de verwijzende rechter te vernemen of in dit verband een onderscheid moet worden gemaakt tussen leden van de vereniging.

 

Voordat de prejudiciële vragen beantwoord worden, gaat het Gerecht in op:

  • de belastbare prestatie (artikel 2 btw-richtlijn)
  • de belastingplichtige (artikel 9 btw-richtlijn); én
  • de overheid (artikel 13 btw-richtlijn)

 

Volgens vaste rechtspraak kunnen handelingen slechts worden geacht onder bezwarende titel (artikel 2 lid 1 onder a en c van de btw-richtlijn) te zijn verricht indien er een rechtstreeks verband bestaat tussen de goederenlevering of de dienstverrichting enerzijds en een werkelijk door de belastingplichtige ontvangen tegenprestatie anderzijds. Van een rechtstreeks verband kan alleen gesproken worden wanneer de rechtsbetrekking bestaat uit het over en weer uitwisselen van beide prestaties. Dit rechtstreekse verband tussen de prestatie en de tegenprestatie wordt doorbroken wanneer de vergoeding op volstrekt vrijwillige en willekeurige wijze wordt toegekend.

 

Aan het begrip belastingplichtige keert artikel 9 lid 1 van de btw-richtlijn met bewoordingen als ‘eenieder’ een zeer ruimte betekenis toe. Deze ruime definitie benadrukt de zelfstandigheid in de uitoefening van een economische activiteit. In dit kader is de hoedanigheid van de verrichter – natuurlijk persoon, publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon, van ondergeschikt belang. Het begrip economische activiteit is een objectief begrip, in die zin dat de activiteit op zichzelf wordt beschouwd, hierbij is het oogmerk of het resultaat ervan – positief of negatief – niet van belang.

 

Het Gerecht bevestigt dat de voorwaarden waaronder een lichaam als Digipolis haar activiteiten verricht, niet op alle punten identiek hoeven te zijn aan de voorwaarden waaronder een particuliere marktdeelnemer dezelfde activiteiten zou uitoefenen. Daarnaast moet zijn voldaan aan het zogenoemde duurzaamheidscriterium. Het Hof overweegt in dat verband dat het enkele feit dat een activiteit voor een vooraf bepaalde periode van enkele jaren is vastgesteld, er niet aan in de weg staat dat deze als duurzaam wordt aangemerkt.

Voor de beoordeling of sprake is van een zelfstandige economische activiteit, wordt gekeken naar de eventuele verhouding van ondergeschiktheid bij de uitvoering van de werkzaamheden. Om te bepalen of van een dergelijke ondergeschiktheidsverhouding sprake is, moet worden nagegaan of de betrokkene de activiteiten in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid verricht.

 

Uit de bewoordingen van artikel 13, lid 1, van de btw‑richtlijn volgt dat cumulatief aan twee voorwaarden moet zijn voldaan om toepassing te kunnen geven aan de regel van niet‑belastingplicht. De werkzaamheden moeten worden verricht door een publiekrechtelijk lichaam én dat lichaam moet daarbij handelen als overheid. Aan het eerste vereiste zal in de praktijk doorgaans geen twijfel bestaan. Het tweede vereiste vergt echter dat het publiekrechtelijke lichaam optreedt in zijn hoedanigheid van overheid. Aan dit tweede vereiste was in het onderhavige geval niet voldaan.

Antwoord van Gerecht op prejudiciële vragen

Een publiekrechtelijke rechtspersoon die is vormgegeven als een opdracht houdende vereniging en die in het kader van een beheersoverdracht telematicadiensten verricht voor haar leden, alsmede de daarvoor benodigde computerapparatuur aan hen levert, moet worden aangemerkt als btw‑plichtig. Daarbij is niet relevant in welke hoedanigheid de leden zelf optreden voor de btw.

Voorwaarde is wel dat de diensten onder bezwarende titel worden verricht en dat de vereniging zelfstandig een economische activiteit uitoefent.

Een nationale wet die ertoe leidt dat deze diensten worden aangemerkt als diensten die door de leden van de opdracht houdende vereniging aan zichzelf worden verleend, doet niet af aan de btw-plicht van deze vereniging.

 

Artikel 9 Btw-richtlijn (versie 2014 tot en met 2020), moet zo worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling of bestuurspraktijk op grond waarvan wordt aangenomen dat de diensten die een vereniging tegen vergoeding voor haar leden verricht, interne handelingen zijn en dus buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen ondanks het feit dat die zelfstandig handelende vereniging is aan te merken als belastingplichtige in de zin van artikel 9 van die richtlijn en niet onder artikel 11 of artikel 13 ervan valt.

Gevolgen voor de Nederlandse gemeentelijke btw praktijk

Gelet op de gegeven onderbouwing zijn de antwoorden van het Gerecht op de prejudiciële vragen ons inziens niet verrassend.

 

In Nederland komen intergemeentelijke samenwerkingen in verschillende vormen voor. Een veelvoorkomende vorm is de Gemeenschappelijke Regeling (hierna: GR). De btw-behandeling van prestaties die een GR veriicht voor haar deelnemers kan doorgaans worden ondergebracht in een van de volgende drie categorieën: De koepelvrijstelling, de btw-transparantiemethode of het btw-ondernemerschap.

 

Voor de koepelvrijstelling geldt dat bepaalde diensten van een aantal samenwerkingsverbanden aan hun leden zijn vrijgesteld van btw. Deze vrijstelling is echter aan een aantal voorwaarden verbonden: Het samenwerkingsverband brengt aan de leden niet meer in rekening dan hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, de diensten zijn direct nodig voor de activiteiten van de leden en de vrijstelling veroorzaakt geen verstoring van concurrentieverhoudingen. Deze vrijstelling is tevens van toepassing op een limitatief type samenwerkingsverband. Voor de btw-transparantiemethode geldt dat de GR de btw op de kosten kan doorschuiven naar de achterliggende deelnemers. Het doorschuiven van de btw is alleen mogelijk wanneer de achterliggende deelnemers de btw onder voorwaarden via het btw-compensatiefonds hadden kunnen compenseren als ze de activiteiten zelf hadden geregeld. Tot slot kan de GR de activiteiten als btw-ondernemer voor haar deelnemers inkopen.

 

Bij samenwerkingsverbanden en onderlinge afspraken tussen samenwerkingspartners is het van belang om vooraf aandacht te besteden aan de btw-kwalificatie(s). Daarmee kan veelal worden voorkomen dat btw uitgroeit tot een onnodige kostenpost, of kan hier tijdig op worden geanticipeerd door hier in ramingen of businesscases rekening mee te houden.  

Meer weten?

Heeft u vragen of opmerkingen? Neem contact op met onze btw-specialist Nikita Brameijer, Marian Roberti of uw vaste aanspreekpunt. Wij helpen u graag!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

4. Verantwoording

In de verantwoording komen we bij het laatste deel van de P&C cyclus, namelijk de jaarstukken. Het college legt verantwoording af aan de raad over het gevoerde beleid. Realisatie en coördinatie van de jaarstukken, maar ook de accountantscontrole, zijn altijd piekmomenten in het jaar. Wij kunnen hier veel voor u betekenen.  

3. Beheersing & Toezicht

Sinds 2023 moet het college een rechtmatigheidsverklaring afgeven aan de raad. Het is hierdoor extra urgent geworden om de interne beheersing goed voor elkaar te hebben. Een goed ingericht risico- en procesmanagement. Hier zit een hele wereld achter om als organisatie in control te komen. Wij helpen u hiermee graag verder. 

2. Sturing & informatie

Onder sturing & informatie vallen de financiële producten van de planning & control cyclus. Dus de begroting en de tussenrapportages. De kadernota valt hier deels onder, maar past meer onder kaders & beleid. Wij kunnen u begeleiden in de totale P&C cyclus. Realisatie, coördinatie & doorontwikkeling. 

1. Kaders & beleid

De kadernota is de opmaat voor een begroting. Het college kan hier samen met de raad een start maken met nieuw beleid. Wij kunnen u begeleiden met de realisatie van de kadernota. Maar ook bij het doorrekenen van scenario’s en risico’s. Advisering over haalbaarheid en strategische keuzes. En tot slot kunnen wij u ook ondersteunen bij de actualisatie van financiële verordeningen en nota’s.

Laatste nieuws

Komende opleidingen