Update inhuur van zelfstandigen: scherp op schijnzelfstandigheid

29 oktober 2026

Voor alle organisaties die werken met zelfstandigen (hierna: zzp’ers), blijft de beoordeling van deze arbeidsrelaties een belangrijk aandachtspunt. In dit artikel gaan wij in op de belangrijkste ontwikkelingen rond de inhuur van zzp’ers waaronder recente jurisprudentie, specifieke aandacht van de Belastingdienst voor overheidsinstellingen en de voorgestelde Zelfstandigenwet.

Het risico bij schijnzelfstandigen in het kort

We hebben in eerdere nieuwsbrieven (waaronder deze en deze) uitgebreid aandacht besteed aan de discussie omtrent schijnzelfstandigheid (de ‘Wet DBA’) en de ontwikkelingen in dit dossier. De kern is dat bij de inhuur van een zzp’er vastgesteld moet worden of sprake is van een arbeidsovereenkomst (7:610 BW) of dat hiervan geen sprake is en dat bijvoorbeeld sprake is van een overeenkomst van opdracht (7:400 BW).

Als sprake is van een arbeidsovereenkomst, is de ‘werkgever’ inhoudingsplichtig voor de loonheffingen en moet de ‘werknemer’ worden opgenomen in de salarisadministratie en de aangifte loonheffingen. Ook zijn de arbeidsrechtelijke bepalingen die op een arbeidsovereenkomst zien van toepassing en moeten de eventueel toepasselijke cao en pensioenregeling worden nageleefd. De arbeidsrechtelijke, fiscale en financiële gevolgen zijn in de regel groot, zowel voor de zzp’er (werknemer) als voor de opdrachtgever (werkgever).

Bij een arbeidsovereenkomst zijn de elementen loon, arbeid en gezag van belang. Hoe deze elementen in de praktijk moeten worden beoordeeld, is in de loop der jaren nader ingevuld in de jurisprudentie. Belangrijke arresten zijn het Participatieplaats-arrest (ECLI:NL:HR:2020:1746), het Deliveroo-arrest met het inmiddels bekende toetsingskader van negen gezichtspunten en het Uber-arrest (ECLI:NL:HR:2025:319) van de Hoge Raad. Sindsdien worden de uitgangspunten uit deze arresten consequent toegepast.

Voor de loonheffingen gold tot en met 31 december 2024 het zogenoemde handhavingsmoratorium. Daardoor waren de mogelijkheden van de Belastingdienst om bij een onjuist gekwalificeerde arbeidsrelatie te corrigeren en naheffingsaanslagen op te leggen beperkt. Sinds 1 januari 2025 is dit moratorium vervallen en kan de Belastingdienst in beginsel weer handhavend optreden, naheffingsaanslagen opleggen en correctieverplichtingen opleggen.

Einde 'zachte landing' per 2027

Om opdrachtgevers en zelfstandigen de tijd te geven hun werkwijze en overeenkomsten aan te passen, gold in 2025 een zogenoemde ‘zachte landing’. Hoewel de Belastingdienst vanaf dat moment weer correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen kon opleggen, werden over 2025 in beginsel nog geen verzuim- en vergrijpboetes opgelegd indien een arbeidsrelatie onjuist was gekwalificeerd.

In 2026 wordt deze ‘zachte landing’ gedeeltelijk voortgezet. Concreet betekent dit dat over dit jaar nog geen verzuimboetes worden opgelegd wegens een onjuiste kwalificatie van de arbeidsrelatie. Vergrijpboetes kunnen in 2026 onder omstandigheden wel aan de orde zijn. Vanaf 2027 vervalt de zachte landing en gaat de Belastingdienst over tot reguliere handhaving.

Kortom, als de wijze waarop een ingehuurde zelfstandige feitelijk werkzaam is voldoet aan de definitie van een arbeidsovereenkomst, is sprake van schijnzelfstandigheid. Een onjuiste kwalificatie kan voor de opdrachtgever leiden tot correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen loonheffingen en, afhankelijk van de omstandigheden en het betreffende jaar, boetes.

Recente jurisprudentie

De rechtspraak over de kwalificatie van arbeidsrelaties staat niet stil. Na het Deliveroo-arrest zijn inmiddels veel uitspraken verschenen waarin het beoordelingskader consequent wordt toegepast en de negen gezichtspunten verder worden ingekleurd. Hieronder gaan wij kort in op drie recente uitspraken die interessante aandachtspunten voor de praktijk bevatten.

 

Let op: iedere arbeidsrelatie is uniek. Alle specifieke feiten en omstandigheden moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld.

Helpling-arrest: ook bij inhuurplatforms is de feitelijke verhouding bepalend

Het Helpling-arrest (HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:543) gaat over de vraag of schoonmakers die via het online platform Helpling bij particulieren werkten, een arbeidsovereenkomst hadden met Helpling of met de huishoudens waar de schoonmakers werkzaam waren. De Hoge Raad oordeelde dat ook een particulier huishouden als inlener kan optreden. De wet vereist namelijk niet dat de inlener de arbeidskracht inzet in het kader van een beroep of bedrijf. Daarom bleef het oordeel van het gerechtshof in stand dat sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers.

 

De Hoge Raad maakt hiermee duidelijk dat ook bij een driehoeksverhouding tussen een platform, werkende en opdrachtgever naar alle omstandigheden en de feitelijke verhouding tussen partijen moet worden gekeken. De gekozen benaming, bijvoorbeeld dat een platform slechts als ‘bemiddelaar’ optreedt, is daarbij niet doorslaggevend.

Unie van Waterschappen: langdurige inzet betekent niet automatisch een arbeidsovereenkomst

Dat ook de duur van een samenwerking niet op zichzelf doorslaggevend is, blijkt uit een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2026:2455). Een ICT’er/webontwikkelaar werkte, na een eerder dienstverband, bijna vijftien jaar vanuit zijn eigen onderneming voor de Unie van Waterschappen. Toch was volgens het hof geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Onder meer zijn vrijheid bij de uitvoering, de onderhandeling over zijn tarieven, het ondernemersrisico en het werken voor andere opdrachtgevers wogen in deze casus in totaliteit zwaarder dan de duur van de opdracht.

Legal counsel met vaste maandelijkse fee en inspanningsverplichting: geen arbeidsovereenkomst

In dit arrest van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2026:6828) werkte een juriste vanaf januari 2023 als zelfstandige voor opdrachtgever. De juriste adviseerde over privacywetgeving (AVG) en werkte als Functionaris Gegevensbescherming en Legal Counsel en maakte daarbij gebruik van de zakelijke laptop en toegangstag van de opdrachtgever. De vaste maandelijkse vergoeding bedroeg € 13.000 exclusief btw. Na beëindiging van de samenwerking ontstond een geschil. De jurist stelde dat eigenlijk sprake was van een arbeidsovereenkomst en eiste onder meer vakantiegeld, vakantiedagen en pensioenpremies.

 

De rechtbank oordeelde dat sprake was van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst, ondanks dat feitelijk sprake was van een inspanningsverplichting. Belangrijk daarbij was dat de jurist grotendeels zelfstandig werkte en zelf de werktijden en werklocatie bepaalde, de juriste meerdere opdrachtgevers had, er werd gefactureerd vanuit de eigen onderneming inclusief btw en dat de jurist volgens de rechtbank onvoldoende was ingebed in de organisatie van de opdrachtgever.

Bottom line

Al deze uitspraken bevestigen de regel: de kwalificatie van een arbeidsrelatie hangt af van alle omstandigheden in onderling verband, waarbij de feitelijke uitvoering centraal staat. Hierbij is niet één element vooraf doorslaggevend.

Overheidsinstellingen onder een vergrootglas

De Belastingdienst heeft alle gemeenten de afgelopen maanden een brief gestuurd waarin aandacht wordt gevraagd voor de Wet DBA en schijnzelfstandigheid. Aanleiding hiervoor is het Handhavingsplan Arbeidsrelaties 2026, waarin is opgenomen dat de Belastingdienst in 2026 extra aandacht besteedt aan overheidsorganisaties. Het uitgangspunt is helder: de overheid moet als opdrachtgever zelf het goede voorbeeld geven.

 

In de brief benadrukt de Belastingdienst dat van gemeenten wordt verwacht dat geen sprake (meer) kan zijn van directe inhuur van schijnzelfstandigen en dat zij juiste aangiften loonheffingen moeten indienen, wat betekent dat het indienen van correctieberichten nodig is bij een onjuiste kwalificatie van een arbeidsrelatie.

 

De brief kan worden gezien als een duidelijk signaal dat gemeenten hun externe inhuur goed in beeld moeten hebben en arbeidsrelaties niet alleen op papier, maar vooral aan de hand van de feitelijke werkwijze moeten beoordelen.

Zelfstandigenwet in consultatie

Een nieuw hoofdstuk in het ‘’zzp-dossier’’ is de internetconsultatie over de Zelfstandigenwet. Met dit wetsvoorstel wordt opnieuw een poging gedaan om meer duidelijkheid te geven over de vraag wanneer iemand als zelfstandige werkt en wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2028.

 

Met de Zelfstandigenwet wil de wetgever twee toetsen invoeren: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Als aan alle voorwaarden van beide toetsen wordt voldaan, is er in ieder geval geen sprake van gezag en dus ook niet van een arbeidsovereenkomst (‘veilige haven’). De zelfstandigentoets kent drie voorwaarden en de werkrelatietoets vier.

 

Zelfstandigentoets

  1. De persoon die de arbeid verricht heeft in de periode tot en met vorig kalenderjaar in totaal ten minste drie opdrachtgevers gehad;
  2. De persoon die de arbeid verricht besteedt een minimumbedrag aan zelfstandige tegen risico’s die horen bij het werken als zelfstandig ondernemer;
  3. De persoon die de arbeid verricht heeft de basisvoorwaarden op orde om als zelfstandige te kunnen werken (waaronder een KvK inschrijving, Btw nummer en zakelijke bankrekening).

 

Werkrelatietoets

  1. De partijen hebben de bedoeling dat de opdracht niet in dienstbetrekking wordt verricht;
  2. De persoon die de arbeid verricht is vrij om te bepalen hoe de werkzaamheden worden uitgevoerd;
  3. De persoon die de arbeid verricht is vrij om te bepalen op welke tijden en op welke locatie de werkzaamheden worden uitgevoerd, en;
  1. De persoon die de arbeid verricht doet dit voor eigen rekening en risico, waarbij deze de economische baten kan genieten en financiële risico’s loopt die samenhangen met de verrichte arbeid.

 

Indien niet aan één of beide toetsen wordt voldaan, betekent dit niet dat daarmee sprake is van een arbeidsovereenkomst. In die situatie moet op basis van de huidige wet- en regelgeving en jurisprudentie worden vastgesteld of sprake is van een arbeidsovereenkomst.  

 

Hoewel de voorgestelde Zelfstandigenwet op een aantal punten meer duidelijkheid en praktische handvatten kan bieden aan opdrachtgevers en zelfstandigen, zal ook dit wetsvoorstel naar verwachting niet in alle gevallen vooraf alle onzekerheid wegnemen. Verschillende voorwaarden bevatten nog open normen en moeten nader worden uitgewerkt. Daarnaast blijft de feitelijke uitvoering in de praktijk leidend. Kortom, ook bij een eventuele invoering van de Zelfstandigenwet zal de beoordeling van arbeidsrelaties aandacht en maatwerk blijven vragen.

Van belang is dat de verschuldigdheid van deze pseudo-eindheffing is gekoppeld aan de fossiele personenauto en niet aan de werknemer. Dit betekent dat de kosten voor rekening van de werkgever komen en niet op de werknemers kan worden verhaald. Voor de duidelijkheid; voor deze regeling wordt ook woon-werkverkeer als gebruik voor privédoeleinden aangemerkt.

Werkgevers die een personenauto al voor 1 januari 2027 ter beschikking hebben gesteld, zijn de heffing nog niet direct verschuldigd. Hiervoor wordt een overgangstermijn voorgesteld tot en met 31 december 2030.

Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2026 was al toegezegd het jaar 2026 te gebruiken om gesignaleerde knelpunten te onderzoeken en, indien wenselijk, de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s zodanig aan te passen dat daarmee deze knelpunten worden gemitigeerd. In het Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2027 stelt het Kabinet voor om deze pseudo-eindheffing op een aantal punten aan te passen. Het gaat om de volgende onderwerpen:

  • Vervangend vervoer bij onderhoud en reparatie;
  • Uitzondering voor lesauto’s;
  • Uitbreiden en aanpassen termijn van het algemene overgangsrecht;
  • Overgangsrecht voor tijdelijke ter beschikking gestelde huur- en deelauto’s;
  • Anticumulatiebepaling met de pseudo eindheffing excessieve vertrekvergoedingen.

Tot slot

De ontwikkelingen rond de inzet van zelfstandigen volgen elkaar in hoog tempo op. Hoewel nieuwe wetgeving mogelijk gedeeltelijk meer duidelijkheid gaat bieden, blijft de beoordeling van arbeidsrelaties ook in de toekomst maatwerk.

 

Wij merken in de praktijk dat de Belastingdienst zowel bij bedrijfsgesprekken als bij boekenonderzoeken de Wet DBA en schijnzelfstandigheid als belangrijk dossier aanmerkt en hier veel aandacht aan besteedt. Ons advies blijft dan ook hetzelfde: geef als organisatie prioriteit aan een passend inhuurbeleid, waarbij zowel vooraf als tussentijds aandacht wordt besteed aan de toetsing van arbeidsrelaties op basis van de feitelijke werkzaamheden en de uitvoering in de praktijk.

Meer weten?

Meer hierover weten? Aarzel dan niet en neem contact op met senior specialisten Loonheffingen Remco Bosma, Anja Mironova of uw vaste aanspreekpunt. 

Remco Bosma
Senior specialist Loonheffingen & Sociale Verzekeringen, Expert DHT/TCF

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

4. Verantwoording

In de verantwoording komen we bij het laatste deel van de P&C cyclus, namelijk de jaarstukken. Het college legt verantwoording af aan de raad over het gevoerde beleid. Realisatie en coördinatie van de jaarstukken, maar ook de accountantscontrole, zijn altijd piekmomenten in het jaar. Wij kunnen hier veel voor u betekenen.  

3. Beheersing & Toezicht

Sinds 2023 moet het college een rechtmatigheidsverklaring afgeven aan de raad. Het is hierdoor extra urgent geworden om de interne beheersing goed voor elkaar te hebben. Een goed ingericht risico- en procesmanagement. Hier zit een hele wereld achter om als organisatie in control te komen. Wij helpen u hiermee graag verder. 

2. Sturing & informatie

Onder sturing & informatie vallen de financiële producten van de planning & control cyclus. Dus de begroting en de tussenrapportages. De kadernota valt hier deels onder, maar past meer onder kaders & beleid. Wij kunnen u begeleiden in de totale P&C cyclus. Realisatie, coördinatie & doorontwikkeling. 

1. Kaders & beleid

De kadernota is de opmaat voor een begroting. Het college kan hier samen met de raad een start maken met nieuw beleid. Wij kunnen u begeleiden met de realisatie van de kadernota. Maar ook bij het doorrekenen van scenario’s en risico’s. Advisering over haalbaarheid en strategische keuzes. En tot slot kunnen wij u ook ondersteunen bij de actualisatie van financiële verordeningen en nota’s.

Laatste nieuws

Komende opleidingen