De rechtbank Den Haag heeft onlangs geoordeeld dat leges voor een verhuurvergunning in strijd waren met artikel 13 lid 2 van de dienstenrichtlijn. Volgens de rechtbank waren de in rekening gebrachte leges niet evenredig en onredelijk in verhouding tot de kosten van de aanvraagprocedure en overschreden deze de werkelijke kosten van de procedure.
Aanleiding
De zaak ging over een particulier die tegen vergoeding een woonruimte in Leiden verhuurt. Daarvoor diende de particulier in bezit te zin van een verhuurvergunning. Voor deze vergunning bracht de gemeente leges in rekening. De belastingplichtige was met een beroep op de dienstenrichtlijn van mening dat de aanslagen te hoog waren.
Toetsing aan de Gemeentewet
Artikel 229b Gemeentewet vormt de wettelijke basis voor het heffen van deze betreffende leges. Gemeenten mogen leges heffen ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Het moet gaan om een dienst waarbij het individuele belang vooropstaat. Er mag geen sprake zijn van ambtshalve dienstverlening of vergunningvrije activiteiten.
Bij het vaststellen van de tarieven mogen de geraamde baten de geraamde kosten niet overschrijden. Als uitgangspunt geldt – volgens de Hoge Raad – dat de geraamde baten en lasten op het niveau van de verordening hooguit kostendekkend mogen zijn. Er hoeft geen toetsing op individueel niveau plaats te vinden. Gemeenten hebben ruime beleidsvrijheid bij het bepalen van de heffingsmaatstaf, mits wordt voldaan aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Toetsing aan de dienstenrichtlijn
Het doel van de dienstenrichtlijn is het wegnemen van eventuele belemmeringen voor dienstverrichters. Vergunningprocedures en bijkomende formaliteiten mogen derhalve geen ontmoedigend effect hebben en de dienstverrichting niet onnodig bemoeilijken of vertragen. Niet alle vergunningen vallen onder de dienstenrichtlijn. Zo heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken geoordeeld dat (destijds) WABO-vergunningen niet onder de dienstenrichtlijn vielen omdat iedereen die wil bouwen over een bouwvergunning moet beschikken en niet alleen een dienstverlener. De VNG heeft in de Modelverordening de diensten die onder de dienstenrichtlijn gebundeld onder hoofdstuk 3 van de legesverordening. Deze vergunning viel onder dit hoofdstuk.
Artikel 13 lid 2 van de dienstenrichtlijn bepaalt dat de kosten die gepaard gaan met de aanvraag evenredig en redelijk dienen te zijn aan de kosten van de vergunningprocedure. Het artikel laat toe dat forfaitaire bedragen worden gehanteerd, mits die forfaitaire bedragen zijn gebaseerd op de gemiddelde kosten en weinig verschillen van de werkelijke kosten in elk individueel geval. Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, te weten het Hemming-arrest (HvJ EU 16 november 2016, ECLI:EU:C:2016:879), moet bij de berekening van dergelijke rechten rekening worden gehouden met:
- de kosten van materialen en salarissen die rechtstreeks samenhangen met de inschrijvingen waarvoor deze rechten als tegenprestatie dienen; en
- het deel van de algemene kosten van de bevoegde administratie die met die verrichtingen samenhangen.
Handhavings- en beheerskosten van het betrokken vergunningsstelsel mogen niet worden meegerekend.
Onderbouwing van de leges
De betreffende gemeente hanteerde een vast legestarief voor aanvragen voor een verhuurvergunning. Hierbij werd geen rekening gehouden met de omvang of complexiteit van de aanvraag. Het tarief werd onderbouwd met een geschatte, gemiddelde behandelduur per aanvraag, waarbij de bijbehorende personeelskosten niet strookte met de aannemelijke werkelijke kosten.
De rechtbank achtte deze onderbouwing daarom onvoldoende aannemelijk. Daarbij speelde voornamelijk een rol dat de feitelijke werkzaamheden beperkt leken, aanvragen in korte tijd in grote aantallen waren afgehandeld en er geen onderscheid werd gemaakt tussen eenvoudige en complexe aanvragen. De leges wijken te sterk af van de werkelijke kosten per individueel geval.
Belang voor de praktijk
Een interessante uitspraak die de relevantie van een goede kostenonderbouwing vragen. Maar aan de andere zijde zetten wij nog wel onze vraagtekens bij deze onderbouwing. Immers de dienstenrichtlijn vereist niet dat de werkelijke kosten worden geheven, maar forfaitair die niet exact bij de kosten voor belanghebbende aansluit. Reden genoeg om deze kosten met de beleidsmedewerker goed door te nemen en te inventariseren.
Meer weten?
Neem contact op met lokale belastingen specialist Olga.menger@fiscaliade.nl of 06 123 44 782 of uw vaste aanspreekpunt.