De afgelopen periode hebben zich veel ontwikkelingen voorgedaan op het gebied van proceskostenvergoeding voor WOZ-procedures. Hierover schreven wij eerder in dit artikel. Met de Wet Herwaardering proceskostenvergoedingen (WHpkv) in de vorm van artikel 30a Wet WOZ en het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, zijn de regels over de hoogte van de proceskostenvergoedingen er niet gemakkelijker op geworden.
Daar waar de wetgever heeft beoogd om met artikel 30a Wet WOZ de financiële prikkel bij beroepsmatig verleende bijstand in WOZ-procedures weg te nemen, heeft de Hoge Raad de toepassing van artikel 30a Wet WOZ beperkt. De Hoge Raad is van oordeel dat de verminderende factor voor de proceskostenvergoeding van artikel 30a Wet WOZ alléén toepassing kan vinden indien bijstand is verleend door een zogenoemde no cure no pay bureau. Alle overige verleende bijstand in de vorm van een gemachtigde, dient zonder toepassing van de verminderende factor vergoed te worden bij een (deels) gegrond bezwaar en/of (hoger)beroep.
Naast het feit dat gemeenten bij een geslaagd bezwaar de hoogte van de proceskostenvergoeding dienen vast te stellen, zien wij in de praktijk ook dat gemeenten in de beroepsfase steeds meer een schikking overeenkomen met de belanghebbende. Het is daarbij eveneens aan de gemeente om de proceskostenvergoeding met de juiste hoogte vast te stellen.
In dit artikel geven we u een update over de huidige wet- en regelgeving met betrekking tot de proceskostenvergoeding in WOZ-procedures. In aanvulling daarop geven we u handvaten voor het bepalen van de juiste hoogte van de proceskostenvergoeding, waarbij we de gestelde richtlijnen door de Hoge Raad in ogenschouw nemen.
Hoofdonderdeel 1: Proceskosten in bezwaar
In ons artikel is de werking van artikel 30a Wet WOZ uitgebreid aan bod gekomen. Wij brengen in dit artikel de belangrijkste aspecten van artikel 30a Wet WOZ aan. Voor een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15 Awb (proceskosten in bezwaar) die betrekking hebben op een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, wordt de factor 0,125 gehanteerd op grond van artikel 30a, lid 1, Wet WOZ. Dit wil zeggen dat de kosten die een belanghebbende dient te ontvangen op basis van artikel 7:15 in samenhang met het Besluit Proceskosten Bestuursrecht, vermenigvuldigd worden met de factor 0,125.
In de praktijk blijkt dat in WOZ-procedures veelal wordt verzocht om een (telefonische) hoorzitting. Dit betekent dat er bij een gegrond bezwaar voor de onderstaande handelingen een proceskostenvergoeding dient te worden uitgekeerd (mits allen van toepassing in de specifieke situatie):
- Het indienen van het bezwaarschrift
- Het bijwonen van een (telefonische) hoorzitting
Hoofdonderdeel 2: Proceskosten in beroep
Voor de proceskostenvergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb (proceskosten in beroep) die betrekking hebben op een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, wordt de factor 0,25 gehanteerd (in sommige gevallen is dit factor 0,10) op grond van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ. Dit wil zeggen dat de kosten die een belanghebbende ontvangt op basis van artikel 8:75 in samenhang met het Besluit Proceskosten Bestuursrecht, vermenigvuldigd worden met de factor 0,25 (of in sommige gevallen 0,10).
Bij een geslaagd beroep in een WOZ-procedure dient voor onderstaande handelingen een proceskostenvergoeding uitgekeerd te worden (ervan uitgaande dat in de procedure ‘slechts’ een beroepschrift en één rechtszitting heeft plaatsgevonden):
- Het indienen van het beroepschrift
- Het bijwonen van de rechtszitting
Hoofdonderdeel 3: Toepassen artikel 30a Wet WOZ
Op grond van artikel 30a, lid 1, Wet WOZ dienen de totale proceskosten in de bezwaarfase in ‘de regel’ vermenigvuldigd te worden met de factor 0,125. De proceskostenvergoeding op basis van de kosten in de beroepsfase dient op grond van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ vermenigvuldigd te worden met de factor 0,25 (in sommige gevallen met factor 0,10). Toepassing van artikel 30a Wet WOZ leidt ertoe dat de totale proceskostenvergoeding verminderd wordt.
Zoals gezegd heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 januari 2025 geoordeeld dat artikel 30a Wet WOZ alléén toepassing vindt voor de gevallen waarin beroepsmatige bijstaand is verleend door een gemachtigde die kwalificeert als een no cure no pay bureau. Wanneer een gemachtigde kwalificeert als een no cure no pay bureau volgens de Hoge Raad, is benoemd in ons artikel. Wanneer een gemachtigde niet kwalificeert als een no cure no pay bureau, dan dient naar oordeel van de Hoge Raad de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding zónder toepassing van artikel 30a Wet WOZ plaats te vinden. Dit betekent dat de proceskostenvergoeding naar de volledige hoogte dient te worden uitgekeerd door de gemeente.
In het geval de gemeente zélf hoger beroep (of cassatie) instelt, dan is artikel 30a Wet WOZ naar oordeel van de Hoge Raad niet van toepassing. Dit leidt ertoe dat de proceskosten die een belanghebbende maakt in hoger beroep, vergoed dienen te worden door de gemeente zónder toepassing van artikel 30a Wet WOZ.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Een juiste toepassing geven aan artikel 30a Wet WOZ – en daarmee de juiste hoogte van de proceskostenvergoeding in WOZ-procedures vaststellen – kan een ingewikkelde opgave zijn. Nog daargelaten dat in een situatie waarin bezwaar is ingediend in het ene jaar – en beroep is ingesteld in het andere jaar – ertoe leidt dat er met verschillende forfaitaire bedragen gewerkt dient te worden. Daarnaast kunnen er ook nog taxatie technische kosten voor vergoeding in aanmerking komen, alsmede de in beroep betaalde griffierechten door de belanghebbende.
Kortom, er kan wel gesteld worden dat het bepalen van de juiste hoogte van de proceskostenvergoeding gepaard gaat met diverse stappen. Zo dient naast het inzichtelijke maken van de totale (proceskosten)vergoeding, ook getoetst te worden of er sprake is van een no cure no pay bureau die optreedt als gemachtigde. Een foute berekening ligt hierbij al snel op de loer. Waarbij enerzijds het risico op een te hoge uitkering van proceskostenvergoeding bestaat, en anderzijds een te lage uitkering. Waarbij dit laatste voor de belanghebbende/gemachtigde wederom een reden kan zijn om in (hoger)beroep te gaan.
Wij adviseren daarom goed op de hoogte te zijn van de wet- en regelgeving omtrent de proceskostenvergoeding, en binnen de gemeente duidelijk beleid te formuleren om hiermee onterechte proceskostenvergoedingen te voorkomen.
Meer weten?
Wilt u meer weten over dit onderwerp? Wij praten u hier graag over bij. Neem contact op met onze specialist lokale belastingen Olga Menger of uw vaste aanspreekpunt.