Een gemeente mag een naheffingsaanslag opleggen als er onrechtmatig geen parkeerbelasting betaald is. Maar, wanneer is er sprake van parkeren? En zijn er ook uitzonderingen op bovenstaande stelling? In onderstaand artikel bespreken we wanneer een gemeente rechtmatig parkeerbelasting mag naheffen en met welke zaken zij rekening moeten houden bij het naheffen van de belasting.
Wanneer is er sprake van parkeren?
Op grond van artikel 225 Gemeentewet mag een gemeente parkeerbelasting heffen als er sprake is van parkeren. Er is sprake van parkeren als een voertuig gedurende een aaneengesloten periode stil staat. Er is geen sprake van parkeren als iemand aan het laden en lossen is of personen laat in- en uitstappen. Terwijl de rechtbank nog wel eens losjes probeert om te gaan met bovenstaand begrip, houd de Hoge Raad zich erg strikt aan de definitie van de gemeentewet vast.
Zo blijkt uit recente rechtspraak dat minder dan een minuut stilstaan om je route te bekijken ook parkeren is. Ook in het geval van pakketbezorgers acht de Hoge Raad het noodzakelijk dat er van geval tot geval bekeken wordt of er sprake is van laden en lossen of van parkeren (zie deze uitspraak). Zodra het voertuig langer stilstaat dan dat het nodig heeft om te laden en lossen is er sprake van parkeren en mag er parkeerbelasting geheven worden.
De naheffing
Als er sprake is van parkeren moet er ook parkeerbelasting betaald worden. Doet men dit niet, dan volgt er een naheffingsaanslag van de parkeerbelasting, in de volksmond ook wel de parkeerboete genoemd. Het is belangrijk om te benadrukken dat dit geen boete is.
Het verschil tussen de naheffing en de parkeerboete ligt in de wettelijke grondslag. Indien iemand geen parkeerbelasting betaalt volgt er op grond van de gemeentewet een naheffing. Naheffing bestaat uit de verschuldigde parkeerbelasting en de kosten die de gemeente maakt om de verschuldigde parkeerbelasting te innen. Als er geparkeerd wordt op een verboden plek wordt dit aangemerkt als een Wet Mulder feit. In zo’n situatie volgt er wel een boete, die wordt opgelegd voor het CJIB.
De uitzonderingen
Er zijn een aantal zaken waar de gemeente rekening mee moet houden als zij een naheffingsaanslag willen opleggen. Uit de vele uitspraken van de Rechtbanken, de Gerechtshoven en de Hoge Raad blijkt namelijk dat er situaties zijn, waarin er sprake is van parkeren, maar er geen naheffingsaanslag opgelegd mag worden.
Zo blijkt op grond van art. 20 AWR dat er geen naheffingsaanslag meer geheven mag worden als er al parkeerbelasting is betaald. Toch ontstaan discussies rondom dit onderwerp als iemand met een parkeervergunning niet voldoet aan de subjectieve eisen van de parkeervergunning. Want: parkeert diegene, ondanks dat hij wel heeft betaald, wel met een parkeervergunning en dus rechtmatig?
Volgens de Hoge Raad moet die vraag positief beantwoord worden. Als een vergunninghouder parkeert en daarbij één of meer voorwaarden niet naleeft, heeft dat niet tot gevolg dat de vergunning vervalt. De persoon in kwestie parkeert in dat geval dus wel met parkeervergunning en heeft de parkeerbelasting voldaan. Naheffing is daarom niet mogelijk.
Uiteraard zijn er situaties met parkeervergunningen waarin de naheffing wel terecht opgelegd wordt. Zo komt het niet overzetten van een parkeervergunning op het goede kenteken, het parkeren op parkeerplaatsen waarvoor de vergunning niet bedoeld is en het te laat verlengen/aanvragen van de parkeervergunning of het niet naleven van de door de gemeente gestelde voorwaarden aan de parkeervergunning voor het risico van de aanvrager. In dit soort situaties mag wel een naheffingsaanslag opgelegd worden.
Ook mag er geen naheffing parkeerbelasting geheven worden als de gemeente de belastingplichtige niet in redelijkheid de gelegenheid heeft gegeven om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. De gemeente moet de belastingplichtige een zogenoemde coulancetijd gunnen. De rechtspraak houdt zich om dit te kunnen toetsen vast aan de uitvoeringshandelingen. Het begrip uitvoeringshandelingen wordt streng uitgelegd. Over wat nu als een maximale coulancetijd moet worden aangemerkt bestaat in jurisprudentie geen overeenstemming.
Tot slot kan er ook sprake zijn van een overmachtssituatie. Al blijkt uit de rechtspraak dat er niet snel sprake is van overmacht. Om als belastingplichtige een geslaagd beroep op overmacht te kunnen doen moet er sprake zijn van een acute noodsituatie met een dermate uitzonderlijk en buitengewoon karakter dat er geen rechtsplicht tot betaling van parkeerbelasting ontstaat. Iemand moet bij aanvang van het parkeren zo verhinderd zijn, waardoor het absoluut onmogelijk was om de parkeerbelasting te voldoen. Ook in het geval van bijstand verlenen aan een onwel geworden vrouw of hevige regenval is volgens de rechter geen sprake van overmacht.
Conclusie
Op grond van artikel 225 Gemeentewet mogen gemeentes parkeerbelasting heffen als er sprake is van parkeren. Indien de belastingplichtige de parkeerbelasting niet voldoet, kan er een naheffingsaanslag opgelegd worden. Er zijn een aantal zaken waar de gemeente rekening mee moet houden als zij de parkeerbelasting willen naheffen.
Zo kan er geen naheffingsaanslag opgelegd worden als iemand met een parkeervergunning niet voldoet aan de vereisten die de parkeervergunning stelt. Aangezien de belastingplichtige de parkeervergunning heeft betaald, is de parkeerbelasting al voldaan en deze kan niet tweemaal geheven worden.
Daarnaast moet de gemeente de belastingplichtige coulancetijd gunnen om de parkeerbelasting te kunnen voldoen. Hierbij zijn de uitvoeringshandelingen van de belastingplichtige van doorslaggevende waarde.
Tot slot is er in enkele situaties sprake van overmacht. Als er sprake is van overmacht kan er geen naheffingsaanslag van de parkeerbelasting opgelegd worden.
Meer weten?
Wilt u meer weten over de parkeerbelasting, de kostenonderbouwing en overige officiële verplichtingen die hieraan gekoppeld zijn? Aarzelt u dan niet contact op te nemen met onze specialist Olga Menger of uw vaste aanspreekpunt.