Jurisprudentie voor de maand februari

4 februari 2026

In dit artikel doen wij u een overzicht toekomen van door ons geselecteerde, interessante jurisprudentie of regelgeving. 

Relevante jurisprudentie lokale belastingen

Bekijk hier alle relevante jurisprudentie op het gebied van lokale belastingen

  1. Formeel belastingrecht
    Bekendmaking aanslag via MijnOverheid rechtsgeldig. Inschakelen e-mailnotificatie voor risico belastingplichtige | Lees meer >> 
    Vertrouwensbeginsel verhindert nieuwe aanslag toeristenbelasting na toezegging | Lees meer >>
    Hof Den Haag oordeelt dat de belastingrechter niet bevoegd is om de rechtmatigheid van de voorbereidingsbesluiten te beoordelen | Lees meer>> 
    De stad Antwerpen vordert bij de Nederlandse civiele rechter met succes betaling van leegstandsbelasting van een inwoner van Rotterdam. De kantonrechter toetst slechts marginaal de verschuldigdheid van die heffing, daarom oordeelt hij dat de stad Antwerpen in redelijkheid heeft kunnen besluiten een leegstandsbelasting van de inwoner van Rotterdam te heffen. | Lees meer >>
    De enkele mededeling dat pro forma hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, onder vermelding van het zaaknummer en overlegging van de uitspraak van de Rechtbank, kan niet worden aangemerkt als motivering van het hoger beroep. | Lees meer >> 
    Hof Den Haag oordeelt dat verzending van de uitspraak op bezwaar naar het privéadres van de gemachtigde voldoet aan de bekendmakingsregels | Lees meer >>
    De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat X voldoende kenbaar was voor elektronische berichten, enkel omdat hij in een verplicht veld van een contactformulier zijn e-mailadres heeft ingevuld | Lees meer >>
  2. WOZ
    Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 22 november 2025 tot wijziging van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet Waardering Onroerende zaken  | Lees meer >> 
    Richtlijn vergoeding proceskosten WOZ-taxaties ingetrokken | Lees meer >>
    De Hoge Raad volgt het oordeel van het Hof dat de PV-installatie op zichzelf als gebouwd eigendom is aan te merken en daarom niet als geheel onder de werktuigenvrijstelling kan vallen | Lees meer >>
  3. WOZ-waarde
    Ontbreken van woonbestemming drukt WOZ-waarde mantelzorgwoning aanzienlijk | Lees meer >>
    Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat het eigen verkoopcijfer bepalend is voor WOZ-waarde | Lees meer >>
    Bepaling WOZ-waarde van nieuw gebouwde recreatiewoning | Lees meer >>
  4. OZB-belasting 
    Tariefverhoging OZB eigenaren niet woningen | Lees meer >>
  5. Parkeerbelasting
    Kosten parkeerautomaten en parkeerapps mogen worden verhaald via naheffingsaanslagen parkeerbelasting | Lees meer >>
    Verzending niet aangetoond maar naheffingsaanslag parkeerbelasting blijft in stand | Lees meer >>
    Geen sprake van parkeren bij stilstand voor lossen doos met 6 flessen wijn | Lees meer >>
    Hogere bezwaarkostenvergoeding in parkeerbelastingzaak omdat ‘lage puntwaarde’ discriminatoir is | Lees meer >>
    De kostenberaming van de naheffingsaanslag parkeerbelasting | Lees meer >>
    Parkeren zonder betalen in een vergunningparkeergebeid valt niet onder de wet Mulder | Lees meer >>
  6. Proceskostenvergoeding
    Voor proceskostenvergoeding is bewijs beroepsmatige rechtsbijstand vereist | Lees meer >>
    Ten onrechte geen proceskostenvergoeding bij ongegrond hoger beroep bestuursorgaan  | Lees meer >>
    De Hoge Raad oordeelt dat de instapvergoeding van 750 euro exclusief BTW per betrokken auto niet dusdanig laag is dat er kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay | Lees meer >>
  7. Toeristenbelasting
    Geen inschrijving BPR leidt tot heffing toeristenbelasting | Lees meer >>
    Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV belastingplichtige is voor toeristenbelasting, omdat zij gelegenheid biedt tot verblijf van niet-ingezetenen | Lees meer >>
    Vanwege inschrijving in BPR geen grondslag voor afvalstoffenheffing | Lees meer >> 
    Aanslag toeristenbelasting aanvankelijk aan verkeerde partij opgelegd; vertrouwensbeginsel | Lees meer >>
    Aanslag watertoeristenbelasting vernietigd wegens schending gelijkheidsbeginsel | Lees meer >>
  8. Reclamebelasting 
    Banieren aangebracht op gebouw cultureel jongerencentrum vrijgesteld van reclamebelasting | Lees meer >>
  9. Leges 
    Geen verschoonbare termijnoverschrijding bij te laat bezwaar tegen leges | Lees meer >>
    Aanslag leges vernietigd wegens ontbreken processtukken gemeente | Lees meer >>
    Bij aanvraag omgevingsvergunning voor veranderen en vergroten energie ontvangst- en verdeelstation slechts legesheffing over bouwactiviteiten die tot de aanvraag behoren | Lees meer >>
    Geraamte baten gaan de geraamte lasten niet te boven. Raming van baten is niet onzorgvuldig, ondanks grote verschillen tussen de raming en de realisatie in opeenvolgende jaren | Lees meer >>
  10. Afvalstoffen- en rioolheffingen 
    Rechtbank Noord-Nederland vernietigt een aanslag afvalstoffenheffing voor een recreatiewoning aan het Paterswoldsemeer | Lees meer >>
    Gemeente voldoet aan inzamelplicht voor afvalstoffenheffing | Lees meer >>
    Vanwege inschrijving in BRP geen grondslag voor aanslag afvalstoffenbelasting | Lees meer >>
    Aanslag gemeentelijke en waterschapsbelasting aan belanghebbende die in een mantelzorgwoning woont wordt terecht opgelegd | Lees meer >>

Formeel belastingrecht

Bekendmaking aanslag via MijnOverheid rechtsgeldig. Inschakelen e-mailnotificatie voor risico belastingplichtige

Rechtbank Amsterdam oordeelt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting rechtsgeldig is bekendgemaakt via de digitale berichten box van MijnOverheid. X draagt het risico van het niet inschakelen van e-mailnotificaties.

Op 11 september 2024 legt de heffingsambtenaar aan X een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. X betaalt de aanslag niet. De invorderingsambtenaar stuurt op 30 oktober 2024 een aanmaning en rekent daarbij aanmaningskosten. X maakt bezwaar tegen de aanmaning en stelt dat hij de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen, omdat hij geen e-mailnotificatie via MijnOverheid heeft gekregen. De invorderingsambtenaar legt verzendadministratie over waaruit blijkt dat X opt-in geeft voor elektronische berichten via de berichten box van MijnOverheid en dat de aanslag daarin is geplaatst. X ontvangt en betaalt in het verleden meerdere andere naheffingsaanslagen via dezelfde berichten box. Het bezwaar wordt ongegrond verklaart, waarna X beroep instelt. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting rechtsgeldig is bekendgemaakt via de digitale berichten box van MijnOverheid. Rechtbank Amsterdam oordeelt dat de invorderingsambtenaar voldoende aannemelijk maakt dat de naheffingsaanslag in de berichten box van X is geplaatst. X kiest vrijwillig voor elektronische ontvangst en kan zelf instellen of hij notificaties krijgt. Het uitblijven van een notificatie komt voor zijn rekening. Klik hier om de uitspraak verder te lezen. 

Vertrouwensbeginsel verhindert nieuwe aanslag toeristenbelasting na toezegging

Rechtbank Gelderland oordeelt dat X mag vertrouwen op de uitlatingen van de heffingsambtenaar, waardoor de aanslag toeristenbelasting 2021 niet wordt opgelegd.

De heffingsambtenaar legt voor 2020, 2021 en 2022 aanslagen toeristenbelasting op aan een stichting. X, een vereniging, meldt dat de aanslagen op haar naam moeten komen. Er vindt telefonisch overleg plaats tussen X en de heffingsambtenaar, gevolg door een bevestigende e-mail waarin alleen de aanslag 2022 aan X wordt aangekondigd, zonder voorbehoud voor 2021. Desondanks legt de heffingsambtenaar op 30 november 2023 een nieuwe aanslag 2021 op aan X, die deze onder protest betaalt. X maakt bezwaar en beroept zich op de toezegging dat de aanslag 2021 vernietigd is. In geschil is of de heffingsambtenaar het vertrouwensbeginsel schendt door alsnog de aanslag toeristenbelasting 2021 op te leggen aan X. Rechtbank Gelderland oordeelt dat X aannemelijk maakt dat zij uit de uitlatingen en bevestigende e-mail van de heffingsambtenaar redelijkerwijs mag afleiden dat de aanslag 2021 niet zou worden opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. Klik hier om de uitspraak verder te lezen. 

Hof Den Haag oordeelt dat de belastingrechter niet bevoegd is om de rechtmatigheid van de voorbereidingsbesluiten te beoordelen

In de jaren 2019-2022 neemt de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard voorbereidingsbesluiten voor enkele percelen, met als doel om deze percelen buiten de natuurbegrenzing te houden om gewenste toekomstige ontwikkelingen ten behoeve van woningbouw en maatschappelijke voorzieningen [sportaccommodatie] mogelijk te houden. In de besluiten is een vergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden. X dient een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor het aanpassen van de terreininrichting op enkele percelen. X is het niet eens met de aan haar opgelegde legesaanslag. In hoger beroep stelt X dat de gemeente, door ieder jaar opnieuw en aansluitend een voorbereidingsbesluit te nemen voor hetzelfde gebied, zonder hierbij binnen een jaar een bestemmingsplan ter inzage te leggen, misbruik maakt van de bevoegdheid om een voorbereidingsbesluit te nemen.

Hof Den Haag oordeelt dat de belastingrechter niet bevoegd is om de rechtmatigheid van de voorbereidingsbesluiten te beoordelen. Dat oordeel is voorbehouden aan de [algemene] bestuursrechter. Het hof merkt daarbij op dat X bezwaar had kunnen maken tegen de beslissing om de omgevingsvergunning te verlenen. Nu vaststaat dat X een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en dat deze aanvraag in behandeling is genomen, heeft het belastbare feit voor de legesheffing zich voorgedaan, en is de aanslag terecht opgelegd aan X. Klik hier om de uitspraak verder te lezen

De stad Antwerpen vordert bij de Nederlandse civiele rechter met succes betaling van leegstandsbelasting van een inwoner van Rotterdam. De kantonrechter toetst slechts marginaal de verschuldigdheid van die heffing, daarom oordeelt hij dat de stad Antwepen in redleijkheid heeft kunnen besluiten een leegstandsbelasting van de inwoner van Rotterdam te heffen

Stad Antwerpen voert een beleid tegen verwaarlozing en leegstand van gebouwen in haar gemeente. Een onderdeel van dat beleid is dat Stad Antwerpen belasting heft voor woningen of gebouwen waarbij er sprake is van langdurige leegstand of verwaarlozing in het onderhoudt. Daarom heeft stad Antwerpen een vijftal belastingaanslagen gestuurd. Die aanslagen heeft gedaagde niet volledig betaald.

Volgens gedaagde is er ten onrechte belasting opgelegd voor meerdere woningen, maar is er op [adres] slechts sprake van een woning. Gedaagde stelt dat het pand anderhalf tot twee jaar noodgedwongen leeg heeft gestaan voordat zij het in november verkocht heeft. Ook heeft zij bezwaar gemaakt tegen de belasting, maar dit bezwaar is afgewezen. Vanwege betalingsonmacht is gedaagde vervolgens niet meer in beroep gegaan.

Omdat gedaagde niet in beroep is gegaan tegen de beslissing op bezwaar, staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat de belastingaanslagen definitief en onherroepelijk zijn geworden en daarom hebben zij formele rechtskracht gekregen. Omdat de belastingaanslagen onherroepelijk zijn, kan de kantonrechter de aanslagen en het door gedaagde in onderhavige procedure gevoerde verweeg daartegen in dit geval niet meer inhoudelijk beoordelen maar kan zij de verschuldigdheid ervan slechts marginaal toetsen. Dat betekent dat zij alleen kan toetsen of Stad Antwerpen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de belastingaanslagen aan [gedaagde] op te leggen. De kanonrechter oordeelt dat dit het geval is. Klik hier om verder te lezen

Hof Den Haag oordeelt dat verzending van de uitspraak op bezwaar naar het priveadres van de gemachtigde voldoet aan de bekendmakingsregels

Op 4 augustus 2022 constateert een parkeercontroleur dat X zijn auto zonder betaling parkeert op een door de gemeente Rotterdam aangewezen locatie. De heffingsambtenaar legt op 17 augustus 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. X maakt op 6 september 2022 bezwaar. Op 25 januari 2023 verklaart de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond en vernietigt de aanslag bij uitspraak op bezwaar. De beslissing op bezwaar wordt daarbij verzonden naar het privéadres van de gemachtigde. Op 3 mei 2023 stelt X beroep niet-tijdig beslissen in. Rechtbank Rotterdam verklaart X’ beroep ongegrond. In hoger beroep stelt X dat hij de uitspraak niet heeft ontvangen en dat de beslissing op bezwaar niet op de juiste wijze bekend is gemaakt door verzending naar het privéadres van de gemachtigde. De heffingsambtenaar verwijst naar de verzendadministratie en de bezorging op het vermelde adres. In geschil is onder andere of verzending van de uitspraak op bezwaar naar het privéadres van de gemachtigde geldt als een juiste bekendmaking.

Hof Den Haag acht aannemelijk dat de uitspraak op bezwaar op 11 januari 2023 is verzonden naar het privéadres van de gemachtigde, wat het vermoeden van ontvangst rechtvaardigt. Hoewel de beslissing op bezwaar niet naar het formele kantooradres is verzonden, voldoet de bekendmaking aan haar strekking omdat de gemachtigde op zijn privéadres kennis kan nemen van de inhoud. De beslissing op bezwaar is tijdig gedaan en op de juiste wijze bekendgemaakt. X’ hoger beroep is ongegrond. Klik hier om verder te lezen

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat X voldoende kenbaar was voor elektronische berichten, enkel omdat hij in een verplicht veld van een contactformulier zijn e-mailadres heeft ingevuld

X stelt cassatieberoep in tegen een uitspraak op verzet van Rechtbank Den Haag. De rechtbank heeft het beroep van X tegen de uitspraken op bezwaar tegen twee naheffingsaanslagen parkeerbelastingen met toepassing van art. 8:54 Awb kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare termijnoverschrijding. In deze 8:54-uitspraak oordeelde de rechtbank dat de uitspraken op bezwaar op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt door de verzending per e-mail. Deze beslissing bleef in verzet in stand. Daarbij overwoog de rechtbank in verzet (i) dat X kenbaar heeft gemaakt op het e-mailadres bereikbaar te zijn en (ii) dat X geen concrete omstandigheden gaf op grond waarvan kan worden gesteld dat hij de e-mail niet zou hebben ontvangen.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat X te kennen heeft gegeven in het kader van het door hem gemaakte bezwaar bereikbaar te zijn langs elektronische weg. De omstandigheid dat X op een contactformulier voor het indienen van een bezwaarschrift zijn e-mailadres heeft ingevuld, is hiervoor onvoldoende. Hierbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat (i) op dit formulier niet is vermeld dat de indiener door het invullen van zijn e-mailadres ermee akkoord gaat dat het bestuursorgaan correspondentie in de bezwaarprocedure – zoals een uitspraak op het bezwaar – naar dit e-mailadres verstuurt, en (ii) het e-mailadres bovendien op een verplicht veld van het contactformulier moest worden ingevuld. Aangezien X niet ermee heeft ingestemd dat bij de behandeling van zijn bezwaar berichten langs elektronische weg aan hem worden verzonden, zijn de uitspraken op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Als gevolg hiervan vangt de beroepstermijn pas aan op de dag waarop X een afschrift van de uitspraken op bezwaar onder ogen heeft gekregen. Omdat de rechtbank niet heeft vastgesteld wanneer dat is gebeurd, zal de rechtbank daarover alsnog een oordeel moeten geven. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van X gegrond en verklaart het verzet alsnog gegrond. De rechtbank moet het onderzoek voortzetten in de stand waarin het zich bevond vóór de 8:54-uitspraak. Klik hier om verder te lezen.

WOZ

Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 22 november 2025 tot wijziging van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet Waardering Onroerende zaken

Met deze wijziging zijn twee maatregelen uit het plan van aanpak om het WOZ-proces te verbeteren in regelgeving uitgewerkt. Het gaat hierbij om het vastleggen van een informeel contactmoment tussen woningeigenaren en gemeenten en de modernisering van het standaardmodel van het taxatieverslag voor woningen.

Deze twee maatregelen zijn de laatste twee uitwerkingen van het plan van aanpak en zien op verbeterpunten. Het eerste verbeterpunt is het vergroten van transparantie en vertrouwen door burgers te betrekken bij de totstandkoming van de WOZ-waarde van woningen, mede door een modernisering van het taxatieverslag voor woningen. Het tweede verbeterpunt is het bieden van informeel contact met burgers wanneer de WOZ-waarde [mogelijk] onjuist is. Onder meer deze verbeterpunten leidden tot een concreet plan van aanpak met daarin in totaal zes maatregelen.

Het doel van de wijziging is ten eerste het verbeteren van de kwaliteit van de geregistreerde waarderelevante objectgegevens. Ten tweede is dat het mogelijk maken voor woningeigenaren om op een laagdrempelige manier contact te kunnen opnemen met de gemeente. Ten derde is dat het bieden van uniformiteit in de manier waarop gemeente de kwaliteit van de geregistreerde waarderelevante objectgegevens borgen.

Richtlijn vergoeding proceskosten WOZ-taxaties ingetrokken

Op 13 juni 2025 heeft de Hoge Raad beslist dat de richtlijn voor vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties niet bindend voor rechters. Rechters hoeven ook niet uit te leggen waarom ze afwijken van deze richtlijn. Daarom trekken de belastingkamers van de gerechtsoven de richtlijn in.

De gerechtshoven vinden het nog steeds belangrijk dat rechters op een vergelijkbare manier omgaan met vergoedingen voor taxatierapporten in WOZ-zaken. In de praktijk zit echter veel verschil in de kwaliteit van taxatierapporten en in de tijd die nodig is om deze rapporten te maken. Door deze verschillen vinden belastingkamers het nu niet zinvol om nieuwe uitgangspunten op te stellen. Daarom wordt de oude richtlijn ingetrokken zonder dat er een nieuwe voor in de plaats komt. In de toekomst kan er mogelijk weer een nieuwe richtlijn komen, als de verschillen in taxatierapporten [weer] kleiner worden.

Binnenkort verschijnt de bekendmaking in de Staatscourant. Een overgangstermijn is niet nodig. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat rechters zonder uitleg kunnen afwijken van de richtlijn. Klik hier om verder te lezen.

De Hoge Raad volgt het oordeel van het Hof dat de PV-installatie op zichzelf als gebouwd eigendom is aan te merken en daarom niet als geheel onder de werktuigenvrijstelling kan vallen

X BV heeft zonnepanelen geplaatst op het dak van een gehuurd distributiecentrum. Om de volledige PV-installatie, bestaande uit zonnepanelen, omvormers, bekabeling en meet- en regelapparatuur, te mogen plaatsen, heeft X BV voor het dak een huurovereenkomst gesloten met de eigenaar van het pand. Daarnaast is een recht van opstal gevestigd. In geschil is de WOZ-waardering van de PV-installatie. Partijen zijn het erover eens dat de omvormers, bekabeling en meet- en regelapparatuur onder de OZB-werktuigenvrijstelling vallen. X BV stelt dat de werktuigenvrijstelling van toepassing is op de gehele PV-installatie, waaronder de zonnepanelen en het onderstel. De centrale vraag is of de PV-installatie zelfstandig als gebouwd eigendom kwalificeert. Indien dat het geval is, is de vrijstelling niet van toepassing op het geheel, maar slechts op afzonderlijke onderdelen. Indien daarvan geen sprake is, kan de vrijstelling wél van toepassing zijn op het werktuig als geheel.

De Hoge Raad volgt het oordeel van het hof dat de PV-installatie op zichzelf als gebouwd eigendom is aan te merken en daarom niet als geheel onder de werktuigenvrijstelling kan vallen. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat niet in geschil is dat de PV-installatie één onroerende zaak is in de zin van art. 16 Wet WOZ. Het hof is er daarom terecht van uitgegaan dat de installatie een afzonderlijk WOZ-object is. Anders dan X BV meent kan een opstalrecht niet kwalificeren als een onroerende zaak in de zin van art. 16 Wet WOZ, ook niet in combinatie met de onroerende zaak waarop het betrekking heeft. Het hof is er – in cassatie onbestreden – van uitgegaan dat de installatie een werk is in de zin van art. 3:3 BW, heeft vervolgens de juiste maatstaf gehanteerd en is terecht tot het oordeel gekomen dat de installatie aan de bestemmingseis voldoet. Het criterium van bouwkundige zelfstandigheid is terecht buiten beschouwing gelaten, omdat dit alleen van belang is als het gaat om de vraag of een onderdeel van een afzonderlijk WOZ-object op zichzelf als een gebouwd eigendom is aan te merken, wat hier niet aan de orde is. Tot slot heeft het hof terecht geen betekenis toegekend aan de vraag of de zonnepanelen met de grond zijn verenigd. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van X BV ongegrond. Klik hier om verder te lezen.

WOZ Waarde

Ontbreken van woonbestemming drukt WOZ-waarde mantelzorgwoning aanzienlijk

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het ontbreken van een woonbestemming een waarde drukkend effect heeft op de WOZ-waarde van een mantelzorgwoning. De heffingsambtenaar heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden bij de waardebepaling.

X bezit samen met haar partner een perceel waarop haar eigen woning en een naastgelegen gemeentelijk monument staan. Dit monument, een twee-onder-een-kapwoning uit 1900, wordt gebruikt als mantelzorgwoning voor haar schoonmoeder. De mantelzorgwoning is zelfstandig afsluitbaar en beschikt over kookgelegenheid en sanitaire voorzieningen.

De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde aanvankelijk vast op basis van drie vergelijkingsobjecten en wijst het bezwaar van X af. X voert aan dat de mantelzorgwoning ten onrechte als apart object wordt afgebakend en dat de waarde veel te hoog is, onder meer vanwege het ontbreken van een woonbestemming, de kleinere kavel, de ligging en de onder gemiddelde staat ten opzichte van referentieobjecten. X betwist tevens of de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten juist zijn en stelt dat de heffingsambtenaar niet aan de bewijslast voldoet door het ontbreken van IWOZ-kaarten en bouwtekeningen.

In geschil is of de WOZ-waarde van de mantelzorgwoning juist is vastgesteld, gelet op het ontbreken van een woonbestemming en de objectafbakening.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de mantelzorgwoning terecht als zelfstandig object wordt afgebakend, omdat deze voldoet aan de eisen van zelfstandigheid en afsluitbaarheid. De vergelijkingsobjecten zijn voldoende vergelijkbaar qua bouwjaar, omvang en ligging. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met het waarde drukkende effect van het ontbreken van een woonbestemming, omdat dit onzekerheid voor potentiële kopers veroorzaakt en gemeentelijk beleid discretionair is. Klik hier om verder te lezen. 

Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat het eigen verkoopcijfer bepalend is voor WOZ-waarde

Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat de heffingsambtenaar de vastgestelde WOZ-waarde onvoldoende onderbouwt tegenover het verkoopcijfer van de woning van X.

X is eigenaar van een in 1931 gebouwde twee-onder-een-kapwoning met een gebruiksoppervlakte van 142 m² op een perceel van 269 m². De heffingsambtenaar stelt voor het belastingjaar 2023 de WOZ-waarde vast op € 844.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2022. X verkoopt de woning op 22 november 2023 voor € 845.000. Ter onderbouwing vergelijkt de heffingsambtenaar de woning met drie transacties in 2021 in dezelfde plaats, variërend van € 821.640 tot € 1.150.000, met betere voorzieningen of onderhoud. X voert aan dat zijn verkoopprijs en de marktontwikkeling niet stroken met de vastgestelde waarde en indexeert zijn verkoopprijs met marktgegevens uit Utrecht. De heffingsambtenaar stelt dat de inrichting van de woning de verkoopprijs drukt. In geschil is of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende aannemelijk maakt, mede gezien het eigen verkoopcijfer van X.

Rechtbank Midden-Nederland acht de WOZ-waarde onvoldoende onderbouwd, nu het verschil van € 1000 tussen de waardepeildatum en de latere verkoopprijs onverklaard blijft ondanks een lichte marktstijging. Het argument over smaakgevoelige inrichting overtuigt niet. X maakt zijn voorgestane waarde van € 790.000 evenmin aannemelijk door gebrek aan nauwkeurige onderbouwing van de indexering. De rechtbank stelt de waarde schattenderwijs vast op € 810.000, verlaagt de aanslag, en kent een proceskostenvergoeding van € 2.471,69 en het griffierecht van € 51 toe. Klik hier om verder te lezen.

Bepaling WOZ-waarde van nieuw gebouwde recreatiewoning

Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een vrijstaande recreatiebungalow. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

Belanghebbende heeft primair aangevoerd dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op de prijs die hij heeft betaald voor de grond, vermeerderd met de bouwkosten en de kosten van het meerwerk, maar minus de daarop rustende omzetbelasting. Hij stelt namelijk ondernemer te zijn met recht op aftrek van omzetbelasting. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat als de vergelijkingsmethode moet worden toegepast, de gehanteerde vergelijkingsobjecten niet vergelijkbaar zijn en dat bovendien ook dan de waarde zonder omzetbelasting moet worden vastgesteld. Hij bepleit een waarde van € 465.570. Verder heeft belanghebbende een verzoek gedaan voor toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Voor een nieuwbouwwoning waarvan de koop-/aanneemsom rond de waardepeildatum tot stand is gekomen, wordt in de jurisprudentie aangenomen dat het uitgangspunt is dat de WOZ-waarde kan worden bepaald op die koop-/aanneemsom (hierna aan te duiden als de vrij op naam (VON)-prijs), vermeerderd met de grondprijs, de kosten van het meerwerk en afwerkingskosten zoals tuinaanleg en stoffering. Dit geldt tenzij de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat de VON-prijs niet bruikbaar is, omdat deze niet de WEV op de waardepeildatum vertegenwoordigt.

De VON-prijs van de woning, vermeerderd met de prijs van de grond, het meerwerk en de omzetbelasting, komt uit op € 563.338,50.5 De koop-/aanneemsom is in januari 2021 gesloten, zodat de prijsvorming ongeveer een jaar voor de waardepeildatum heeft plaatsgevonden. Dit is aanleiding om in ieder geval rekening te houden met de waardestijgingen in de markt van 21 januari 2021 tot 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde vastgesteld op € 693.000 en heeft in beroep een taxatie overgelegd die uitkomt op € 769.000. Hiermee heeft de heffingsambtenaar gemotiveerd betwist dat de VON-prijs de WEV vertegenwoordigt.
13. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd. Klik hier om verder te lezen. 

OZB-Belasting

Tariefverhoging OZB eigenaren niet woningen

Deze zaak betreft de aanslagen OZB voor eigenaren van niet-woningen die aan X (bv; belanghebbende) voor het jaar 2021 zijn opgelegd. X betoogde onder meer dat de verhoging van het tarief per 1 januari 2021 van 0,3631 procent tot 0,7190 procent, door Hof Den Haag aangeduid als ‘het verdubbelingsbesluit’, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het Hof acht zich, ondanks de onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering van het verdubbelingsbesluit, in staat te beoordelen of het evenredigheidsbeginsel is geschonden en constateert een schending van dit beginsel. Volledige onverbindendverklaring van het betreffende artikel in de verordening is volgens het Hof disproportioneel. Het Hof heeft de tariefsverhoging gedeeltelijk onverbindend verklaard. Het principale beroep in cassatie van het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep komt onder meer op tegen het oordeel van het Hof dat de tariefverhoging in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het betoog van X dat het cassatieberoep van het dagelijks bestuur nietontvankelijk is, faalt. De Hoge Raad verwijst hierbij naar onderdeel 4 van de conclusie van A-G Pauwels (24 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:98).

De Hoge Raad komt tot het oordeel dat de onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering van de bestreden tariefsverhoging van dien aard zijn dat niet kan worden beoordeeld of het desbetreffende voorschrift in de verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het Hof had geen oordeel over de strijdigheid van het voorschrift in de verordening met het evenredigheidsbeginsel mogen geven en had het artikel 5, aanhef en letter b, ten tweede, van de verordening ten aanzien van X buiten toepassing moeten laten. De Hoge Raad doet de zaak af. De Hoge Raad vermindert de aanslagen tot aanslagen berekend naar de WOZ-waarden van de desbetreffende onroerende zaken en naar het direct voorafgaand aan 2021 geldende tarief. De zaak wordt aangehouden omdat de Hoge Raad nog niet in staat is een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. Klik hier om verder te lezen:

Parkeerbelasting

Kosten parkeerautomaten en parkeerapps mogen worden verhaald via naheffingsaanslagen parkeerbelasting

De Hoge Raad oordeelt dat de kosten van gemeentelijke parkeerautomaten en parkeerapps dusdanig samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting dat zij mogen worden toegerekend aan de inning van deze belasting. Die kosten mogen daarom geheel of gedeeltelijk in rekening worden gebracht bij het opleggen van [de kostencomponent van] naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

X is het niet eens met een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Den Haag, bestaande uit € 2 aan nageheven belasting en € 6730 aan naheffingskosten.

De Hoge Raad oordeelt dat de kosten van gemeentelijke parkeerautomaten en parkeerapps dusdanig samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelasting dat zij mogen worden toegerekend aan de inning van deze belasting. Die kosten mogen daarom geheel of gedeeltelijk in rekening worden gebracht bij het opleggen van [de kostencomponent van] naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Bij de beoordeling of het bedrag aan kosten in een parkeerbelastingverordening voldoet aan de verhaalbarekostenlimiet in de parkeerbelasting zoekt de Hoge Raad zoveel mogelijk aansluiting bij zijn rechtspraak over de andere opbrengstlimitieten binnen de gemeentelijke belastingen.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat gemeenten in de kostenraming mogen uitgaan van het verwachte aantal inbare naheffingsaanslagen. Deze uitleg sluit aan bij de strekking van art. 2 lid 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat de te late bekendmaking van het maximumbedrag voor de kostencomponent parkeerbelasting in de Staatscourant geen rechtsgevolgen heeft. Het cassatieberoep van X is ongegrond. Klik hier om verder te lezen.

Verzending niet aangetoond maar naheffingsaanslag parkeerbelasting blijft in stand

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de heffingsambtenaar niet kan bewijzen dat hij de naheffingsaanslag parkeerbelasting eerder heeft verzonden dan X stelt, omdat hij geen verzendadministratie heeft. De naheffingsaanslag blijft wel in stand, omdat X onvoldoende parkeerbelasting heeft voldaan. Klik hier om verder te lezen.

Geen sprake van parkeren bij stilstand voor lossen doos met 6 flessen wijn

Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat stilstand voor het afleveren van zes flessen wijn geldt als onmiddellijk lossen en dus geen parkeren is. De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd.

X ontvangt een naheffingsaanslag parkeerbelasting, omdat haar auto op 1 oktoer 2021 om 15.02 in een parkeervak staat, terwijl geen parkeerbelasting is betaald. X stelt dat zij slechts anderhalve minuut stilstaat om bij een klant een doos met zes flessen wijn af te leveren. De klant komt naar buiten om de levering in ontvangst te nemen. De omvang en het gewicht van de doos maken volgens X levering per auto ter plaatste noodzakelijk. De heffingsambtenaar handhaaft de aanslag en betwist dat sprake is van onmiddellijk laden en lossen. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Het Hof oordeelt dat de situatie onder de uitzondering van onmiddellijk laden en lossen valt. Klik hier om verder te lezen.

Hogere bezwaarkostenvergoeding in parkeerbelastingzaak omdat ‘lage puntwaarde’ discriminatoir is

De Hoge Raad oordeelt conform eerdere jurisprudentie dat de differentiatie in vergoeding tussen belasting- en premiezaken enerzijds en overige zaken anderzijds discriminerend is.

X vecht in bezwaar vergeefs een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan. De naheffingsaanslag wordt in de beroepsfase alsnog vernietigd. Rechtbank Amsterdam kent aan X voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een bezwaarkostenvergoeding toe van €296, uitgaande van 2 punten, wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van €296. In hoger beroep bij Hof Amsterdam is alleen nog de proceskostenvergoeding in geschil. De gemachtigde van X stelt vergeefs dat hij bereid is het beroep in te trekken als voor de proceshandelingen in de bezwaarfase € 624 per procespunt wordt toegekend.

De rechtbank heeft ten onrechte niet beslist over de proceskostenvergoeding in beroep. X en zijn gemachtigde waren niet aanwezig bij de zitting van de rechtbank, zodat alleen een vergoeding wordt toegekend voor het indienen van het beroepsschrift. Met wegingsfactor 0,5 komt dit neer op € 437,50. Voor het hoger beroep krijgt X een proceskostenvergoeding op basis van wegingsfactor 0,25 [€ 218,75]. Volgens het hof is er geen reden om van de lage puntwaarde voor de bezwaarkostenvergoeding af te wijken. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de differentiatie in vergoeding tussen belasting- en premiezaken enerzijds en overige zaken anderzijds discriminerend is. De bezwaarkostenvergoeding wordt vastgesteld op € 647, uitgaande van 2 punten, wegingsfactor 0,5 en berekend naar de waarde per punt zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest. Voor de cassatieprocedure krijgt X een vergoeding van €1814. Klik hier om verder te lezen

De kostenberaming van de naheffingsaanslag parkeerbelasting

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De auto stond omstreeks 16;04 stil aan [straat] te [plaats]. Tijdens een controle is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Er is een naheffingsaanslag opgelegd van €60,05 bestaande uit een bedrag aan belasting van €2,30 en €57,75 aan kosten van de naheffingsaanslag.

In geschil is of de naheffingsaanslag naar juiste hoogte is opgelegd. Vast staat dat de kosten van de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. De kosten van de naheffingsaanslag bedragen namelijk €5,00 te veel. Het beroep tegen de naheffingskosten is daarom gegrond en hierdoor bestaat recht op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.

Daarnaast stelt belanghebbende dat de kostenraming niet deugdelijk is. De kostenraming is onduidelijk en de op te leggen naheffingsaanslag wordt structureel te laag beraamd volgens de belanghebbende. Het ligt op de weg van de heffingsambtenaar om de kosten van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken. Naar oordeel van de rechtbank is niet duidelijk waar de kosten uit bestaan. Het zou daarom mogelijk kunnen zijn dat er kostenposten zijn opgenomen die geen samenhang hebben met het opleggen van de naheffingsaanslag. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Klik hier om verder te lezen.

Parkeren zonder betalen in een vergunningparkeergebeid valt niet onder de wet Mulder

Tijdens een controle is door een parkeercontroleur geconstateerd dat belanghebbende geen parkeerbelasting had voldaan voor het parkeren aan de straat. Naar aanleiding van deze constatering is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd. De rechtbank beoordeeld dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

Naar oordeel van de rechtbank is het parkeren, zonder daartoe vereiste vergunning, op een parkeerplaats waarvoor een dagkaart kan worden aangeschaft, geen overtreding die valt onder de Wet Mulder. Klik hier om verder te lezen. 

Proceskostenvergoeding

Voor proceskostenvergoeding is bewijs beroepsmatige rechtsbijstand vereist

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X geen proceskostenvergoeding krijgt omdat zijn gemachtigde niet bewijst beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen.

X bezit een garagebox. Voor 2022 legt de heffingsambtenaar een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) op als eigenaar en gebruiker, en rioolheffing als eigenaar. In bezwaar vernietigt de heffingsambtenaar de aanslagen voor OZB als gebruiker en rioolheffing, maar kent geen proceskostenvergoeding toe. X voert aan dat zijn gemachtigde een professioneel kantoor met meerdere werknemers heeft en werkt voor diverse klanten. De gemachtigde treedt echter hoofdzakelijk op voor familieleden en geeft geen concrete informatie over andere cliënten. In geschil is of X recht heeft op proceskostenvergoeding wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase.

Rechtbank Den Haag stelt vast dat X niet aantoont dat zijn gemachtigde beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Voor vergoeding moet vaststaan dat rechtsbijstand een duurzaam, op inkomensverwerving gericht onderdeel van werkzaamheden is. Een familierelatie sluit vergoeding niet uit, maar X moet bewijzen dat de gemachtigde ook voor niet-gelieerde cliënten werkt. Algemene stellingen over andere opdrachten en privacybezwaren vormen onvoldoende onderbouwing. Zonder concreet inzicht in de aard en omvang van overige werkzaamheden acht de rechtbank het beroepsmatige karakter niet aannemelijk. Het beroep is ongegrond. Klik hier om verder te lezen. 

Ten onrechte geen proceskostenvergoeding bij ongegrond hoger beroep bestuursorgaan

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de heffingsambtenaar, gelet op het ongegronde hoger beroep, had moeten veroordelen in de proceskosten van X.

X stelt beroep in tegen een WOZ-beschikking. Rechtbank Den Haag verklaart het beroep inhoudelijk ongegrond, maar kent X wel een ISV van € 500 toe. De heffingsambtenaar stelt hoger beroep in, dat door Hof Den Haag ongegrond wordt verklaard. In cassatie klaagt X dat het hof ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de heffingsambtenaar, gelet op het ongegronde hoger beroep, had moeten veroordelen in de proceskosten van X. Indien het hoger beroep van het bestuursorgaan ongegrond is, brengt de hoofdregel mee dat dit orgaan wordt veroordeeld in de proceskosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom hiervan is afgeweken, zodat de uitspraak in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Nu de stukken geen aanwijzingen bevatten voor het bestaan van een uitzondering, veroordeelt de Hoge Raad de heffingsambtenaar in de proceskosten van X voor het principale hoger beroep. Het cassatieberoep van X is daarom gegrond. Het incidentele cassatieberoep van het Dagelijks Bestuur wordt met toepassing van art. 81 Wet RO ongegrond verklaard. X ontvangt hiervoor echter geen proceskostenvergoeding, omdat zijn zienswijze te laat is ingediend en door de Hoge Raad buiten beschouwing is gelaten. De Hoge Raad houdt de behandeling aan om de gemachtigde van X in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken dat hij kan worden aangemerkt als een bijzonder geval in de zin van HR 17 januari 2025, V-N 2025/5.27. Een gemachtigde die als zodanig kwalificeert, valt buiten de reikwijdte van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en BPM en komt in aanmerking voor de reguliere proceskostenvergoeding. Klik hier om verder te lezen.

De Hoge Raad oordeelt dat de instapvergoeding van 750 euro exclusief BTW per betrokken auto niet dusdanig laag is dat er kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay

X BV stelt in cassatie met succes dat het hof voor de bezwaarkosten de puntwaarde van € 624 in plaats van € 310 had moeten toepassen (zie HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:681, V-N 2025/20.13). De staatssecretaris wordt daarom veroordeeld om het in cassatie betaalde griffierecht en de proceskosten ter zake van de cassatieprocedure te vergoeden. Voor de hoogte van de proceskosten conform de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM is nader feitenonderzoek noodzakelijk. X BV wordt in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast en de zaak wordt aangehouden. Volgens de gemachtigde (A BV) vraagt zij vanaf 20 september 2023 per auto een vergoeding van € 750 exclusief BTW ongeacht de uitkomst van de procedure.

De Hoge Raad oordeelt dat de instapvergoeding van € 750 exclusief BTW per betrokken auto niet dusdanig laag is dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. De klanten van A BV lopen een financieel risico, ondanks dat zij er vooraf mee hebben ingestemd dat een eventuele proceskostenvergoeding aan A BV toekomt. X BV slaagt dus in de op haar rustende bewijslast dat haar geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, V-N 2025/5.27. Dit komt neer op een toe te kennen proceskostenvergoeding van in totaal € 4082 voor negen samenhangende zaken (€ 453,55 per zaak). Met het oog op een praktische toepassing en uitvoerbaarheid wordt voor elke volgende cassatieprocedure waarin A BV in het jaar 2024 beroep in cassatie heeft ingesteld, ervan uitgegaan dat zij niet werkt op basis van no cure no pay. Voor zaken waarin A BV na 31 december 2024 beroep in cassatie heeft ingesteld, zal de belanghebbende die stelt dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval dit wel steeds moeten bewijzen. Klik hier om verder te lezen.

Toeristenbelasting

Geen inschrijving BPR leidt tot heffing toeristenbelasting

Rechtbank Oost-Brabant oordeelt dat belastingplicht voor toeristenbelasting enkel afhangt van inschrijving in de BRP. Omdat verblijfhouders in 2022 en 2023 niet waren ingeschreven, blijft X BV belastingplichtig.

X BV exploiteert in 2022 en 2023 meerdere bugalows op een recreatiepark in de gemeente Reusel- De Mierden. Voor beide jaren dient zij aangifte toeristenbelasting in met opgegeven aantallen overnachtingen. De heffingsambtenaar legt vervolgens aanslagen op waarin meer overnachtingen zijn betrokken dan X BV heeft aangegeven. X BV stelt dat het college van burgemeester en wethouders verblijfhouders had moeten inschrijven in de basisregistratie personen als ingezetenen met een adres in de gemeente, waardoor hun verblijf niet belastbaar zou zijn. De heffingsambtenaar betoogt dat het aantal overnachtingen correct is vastgesteld op basis van het ontbreken van inschrijving in de BPR en voert aan dat geen rechtsregel het college verplicht tot actieve inschrijving zonder verzoek van de betrokkene.

In geschil is of het nalaten van inschrijving van verblijfshouders in de BPR door het college invloed heeft op hun belastbaarheid voor de toeristenbelasting.

Rechtbank Oost-Brabant stelt vast dat belastingplicht voor de toeristenbelasting –beide jaren niet als ingezetenen met een adres in de gemeente staan geregistreerd, is X BV belastingplichtig voor hun overnachtingen. Of het college hen had moeten inschrijven, is fiscaal niet relevant, en inschrijving met terugwerkende kracht is uitgesloten. Geschillen hierover en eventuele schadeclaims moet X BV bij het college indienen. De rechtbank verklaart de beroepen tegen beide aanslagen ongegrond en laat deze volledig in stand. Klik hier om verder te lezen. 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV belastingplichtige is voor toeristenbelasting, omdat zij gelegenheid biedt tot verblijf van niet-ingezetenen

X BV huurt in het eerste kwartaal van 2017 accommodaties op een bungalowpark. In deze accommodaties verblijven arbeidsmigranten die als uitzendkracht werken voor twee andere ondernemingen. Zij staan niet ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van het bungalowpark. Facturen over 2017 tonen verhuur van ruim 40 accommodaties voor in totaal meer dan 200 personen. X BV verhuurt de accommodaties door aan haar moedermaatschappij. Andere vennootschappen in het concern verrichten facilitaire diensten, waaronder inchecken, toezicht en beheer van de accommodaties. De heffingsambtenaar legt een aanslag toeristenbelasting op voor het eerste kwartaal 2017.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de aanslag toeristenbelasting terecht is opgelegd. Aan het belastbare feit is voldaan omdat personen tegen vergoeding in de gemeente overnachten zonder inschrijving in de basisregistratie personen. Dat deze verblijfhouders mogelijk hadden moeten worden ingeschreven in de BRP is niet aangetoond en kan niet aan de heffingsambtenaar worden toegerekend. De rechtbank acht aannemelijk dat X BV gelegenheid biedt tot verblijf en wijst erop dat zij zelf aangifte heeft gedaan als belastingplichtige. Stukken tonen dat X BV huurt, beheert en faciliteert, inclusief sleuteluitgifte, schoonmaak en afvalbeheer. De aanslag blijft in stand. Klik hier om verder te lezen.

Vanwege inschrijving in BPR geen grondslag voor afvalstoffenheffing

In deze zaak is de aan X (belanghebbende) opgelegde aanslag afvalstoffenheffing 2023 in geschil.
De aanslag is opgelegd voor de recreatiewoning van X aan het Paterswoldsemeer in de voormalige gemeente Haren. Na herindeling is Haren samen met de voormalige gemeenten Ten Boer en Groningen tot een nieuwe gemeente Groningen samengevoegd. Rechtbank Noord-Nederland overweegt dat in onderdeel 1.4 Tarieventabel behorende bij de toepasselijke verordening van de gemeente Groningen een tarief is bepaald specifiek voor een recreatiewoning of een tweede woning ‘waarvan de gebruiker niet als ingezetene staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen’. X staat in casu wél ingeschreven in de BRP, ook al is dat niet op het adres van de recreatiewoning. De Rechtbank oordeelt daarom dat de formulering van onderdeel 1.4 Tarieventabel maakt dat X niet op grond van dit onderdeel belast kan worden. De Rechtbank ziet in de context van de verordening en de tarieventabel ook geen aanleiding om de tekst anders te interpreteren. Aangezien er maar één bepaling in de tarieventabel is die voor recreatiewoningen geldt, te weten onderdeel 1.4 en X niet onder die bepaling valt, is er geen grondslag voor de aanslag. De aanslag wordt daarom vernietigd. Klik hier om verder te lezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant – vermindering kosten naheffingsaanslag en vergoeding proceskosten

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 11 juni 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin belanghebbende bezwaar maakte tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Breda. Het geschil draaide voornamelijk om de hoogte van de aan belanghebbende opgelegde kosten van de naheffingsaanslag. Hoewel vaststond dat belanghebbende op 8 juli 2023 zonder betaling van parkeerbelasting was geparkeerd, bleek dat de heffingsambtenaar ten onrechte een te hoog bedrag aan kosten (€ 57,75 in plaats van de toegestane € 52,75 volgens de Verordening parkeerbelastingen Breda 2023) had opgelegd. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag daarom verminderd moest worden tot het juiste bedrag van € 54,25, bestaande uit de parkeerbelasting en de correcte kosten. Bovendien kreeg belanghebbende recht op vergoeding van zowel het griffierecht als de proceskosten, omdat het te hoge bedrag voortkwam uit een onrechtmatigheid van het bestuursorgaan die heeft geleid tot een wijziging in het rechtsgevolg. De proceskostenvergoeding werd berekend op basis van een vast bedrag per proceshandeling en werd wegens de lichte aard van de zaak verminderd met een wegingsfactor. Omdat de zaak onderdeel was van een cluster van drie soortgelijke procedures, werd de vergoeding over deze zaken verdeeld.

Lees meer >>

Aanslag toeristenbelasting aanvankelijk aan verkeerde partij opgelegd; vertrouwensbeginsel

De procedure gaat over een aan vereniging X [belanghebbende] voor het jaar 2021 opgelegde aanslag toeristenbelasting.

Het bezwaar van X tegen de aanslag is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. De Heffingsambtenaar heeft ambtshalve geoordeeld dat de aanslag toeristenbelasting terecht en correct is opgelegd. Aanvankelijk zijn aanslagen toeristenbelasting over onder meer 2021 op naam van stichting A opgelegd. Die aanslagen zijn wegens een onjuiste tenaamstelling vernietigd.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat X erop mocht vertrouwen dat de aanslag toeristenbelasting 2021 niet opgelegd zou worden. Zij acht begrijpelijk dat X een e-mail zo heeft begrepen dat alleen een aanslag voor 2022 op naam van X zou worden opgelegd en dat geen aanslagen 2020 en 2021 meer zouden worden opgelegd.

De aanslag over 2021 wordt vernietigd en de Heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van €1.891,80 aan proceskosten. Klik hier om verder te lezen.

Aanslag watertoeristenbelasting vernietigd wegens schending gelijkheidsbeginsel

X (bv; belanghebbende) exploiteert een jachthaven en camping met bijbehorende faciliteiten in de gemeente Maasgouw. Zij is het niet eens met de aan haar opgelegde aanslag watertoeristenbelasting van € 42.057,53. X vindt dat de verordening vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel onverbindend moet worden verklaard. Volgens haar zijn er namelijk geen steekhoudende redenen om haar niet gelijk te behandelen met watersportverenigingen die op grond van de verordening zijn vrijgesteld van de belasting.

Anders dan in eerste instantie Rechtbank Limburg geeft Hof Den Bosch X in hoger beroep gelijk. De gemeentelijke wetgever is bij de invoering van het onderscheid tussen degenen die verblijf houden aan boord van boten die wél en boten die niet van leden van watersportverenigingen zijn, uitgegaan van de ervaringsregel dat leden van watersportverenigingen in haar gemeente a) sporten en b) niet als toerist aanwezig zijn. De gemeentelijke wetgever mocht volgens het Hof in redelijkheid niet van deze aan de vrijstelling ten grondslag liggende ervaringsregels uitgaan. Niet gebleken is dat sprake is van objectieve en redelijke rechtvaardigingsgronden voor de vrijstelling, terwijl de vrijstelling leidt tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De verordening wordt onverbindend verklaard en de aanslag wordt vernietigd. Klik hier om verder te lezen. 

Reclamebelasting

Banieren aangebracht op gebouw cultureel jongerencentrum vrijgesteld van reclamebelasting

Aan eiseres is een aanslag reclamebelasting opgelegd voor de banieren die aan het pand van eiseres zijn bevestigd, aan de buitenkant en op de binnenplaats. De heffingsambtenaar heeft een aanslag reclamebelasting opgelegd en na het bezwaar van eiseres gehandhaafd, omdat volgens hem de reclame-uitingen van eiseres zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en er geen vrijstelling van toepassing is.

Eiseres is van mening dat zij wel recht heeft op een vrijstelling, omdat zij niet de bedoeling heeft om winst te maken, maar activiteiten organiseert met als doel om de geestelijke, sociale en maatschappelijke ontwikkeling van jongeren te bevorderen. Eiseres doet dit vanuit een christelijke grondslag. De vraag of alle activiteiten passend zijn bij een christelijke grondslag zijn primair aan eiseres, maar de rechtbank ziet geen reden om vraagtekens bij de activiteiten te plaatsen.

De rechtbank is van mening dat eiseres aannemelijk maakt dat zij wel recht heeft op een vrijstelling. Eiseres hoeft daarom geen reclamebelasting te betalen. Klik hier om verder te lezen.

Leges

Geen verschoonbare termijnoverschrijding bij te laat bezwaar tegen leges

Rechtbank Amsterdam oordeelt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dat X geen gebruik kon maken van de omgevingsvergunning omdat hij geen hypotheek kon krijgen, maakt niet dat X niet eerder bezwaar kon maken tegen de legesaanslag.

X ontvangt op 11 april 2024 een legesaanslag in combinatie met de verlening van een omgevingsvergunning. X wil de vergunning gebruiken om een kavel te kopen, maar moet eerst afwachten tot de vergunning onherroepelijk wordt voordat hij de kavelkoopovereenkomst kan tekenen. Pas na ondertekening kan hij een hypotheek aanvragen. X krijgt de hypotheek niet en tekent daarom bezwaar in tegen de legesaanslag. De heffingsambtenaar verklaar het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken. In geschil is of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Rechtbank Amsterdam oordeelt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid om van verschoonbare termijnoverschrijding uit te gaan. X was bekend met de voorwaarden en is daarmee akkoord gegaan. Klik hier om verder te lezen.

Aanslag leges vernietigd wegens ontbreken processtukken gemeente

Rechtbank Den Haag heeft het beroep van X [belanghebbende] tegen een aanslag leges van de gemeente Leiden gegrond verklaard en de aanslag vernietigd, omdat de Heffingsambtenaar zijn procesverplichtingen niet is nagekomen.

De Rechtbank heeft de Heffingsambtenaar herhaaldelijk verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, zoals voorgeschreven in artikel 8:42 Awb. Daarbij ging het onder meer om alle aan het bestreden besluit voorafgaande stukken, toepasselijke regelgeving, eventuele mandaat- of delegatiebesluiten en een inventarislijst. Ondanks meerdere verzoeken en een rappel heeft de Heffingsambtenaar slechts één document – de beslissing op bezwaar – overgelegd. Volgens de Rechtbank kan daardoor geen inhoudelijke beoordeling van het geschil plaatsvinden.

Dat het dossier rommelig is ingericht of dat er tijdelijk geen toegang tot het digitale dossier bestond, komt voor rekening en risico van de gemeente. De verplichting om alle relevante stukken te overleggen blijft onverkort gelden, ook als (verondersteld) sprake zou zijn van een beroep wegens niet tijdig beslissen.

Omdat de Heffingsambtenaar zijn wettelijke verplichtingen niet is nagekomen, verbindt de Rechtbank daaraan het gevolg dat het beroep gegrond is en de aanslag wordt vernietigd. Ook moet de gemeente het door X betaalde griffierecht van € 53 vergoeden. Klik hier om verder te lezen.

Bij aanvraag omgevingsvergunning voor veranderen en vergroten energie ontvangst- en verdeelstation slechts legesheffing over bouwactiviteiten die tot de aanvraag behoren

Bij een schriftelijke kennisgeving van de heffingsambtenaar zijn van belanghebbende leges van de gemeente Lelystad geheven ten bedrage van €105.112. Het gevorderde bedrag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

In geschil is de hoogte van het legesbedrag dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende in rekening heeft gebracht. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ter zake van de aanvraag in het geheel geen leges mogen worden geheven, omdat bij de dienstverlening in dat kader door de gemeente geen sprake is van individualiseerbaar belang. Daarnaast stelt de belanghebbende dat de leges slechts over de aannemingssom van het gebouw hadden moeten worden geheven. De heffingsambtenaar bestrijdt de stellingen van belanghebbende.

Belanghebbende stelt dat er geen sprake is van individualiseerbaar belang omdat zij op basis van de elektriciteitswet een publieke taak uitvoert, en het uitvoeren van een publieke taak staat in het voorliggende geven aan de heffing van leges in de weg. Volgens de rechtbank moet aan belanghebbende worden toegegeven dat zij met de uitvoering in haar hoedanigheid als aangewezen regionale netwerkbeheerder toegewezen taak, ook het publiek belang dient. Toch wordt het standpunt verworpen aangezien belanghebbende geen overheid is en de vergunning die belanghebbende heeft toch in overheersende mate het belang van belanghebbende zelf dient.

Het hof is van mening dat transformatoren en 20Kv-installaities geen onderdeel uit maken van de aanvraag van de omgevingsvergunning en zijn het ook geen constructieve elementen. Het Hof vindt dat het niet aan te merken is als bouwwerk en verklaart het tweede standpunt van belanghebbende derhalve gegrond. Klik hier om verder te lezen.

Geraamte baten gaan de geraamte lasten niet te boven. Raming van baten is niet onzorgvuldig, ondanks grote verschillen tussen de raming en de realisatie in opeenvolgende jaren

X is het niet eens met een legesaanslag omgevingsvergunning die is opgelegd voor een groot woningbouwproject. De aanslag bedroeg € 808.157,34 maar wordt in hoger beroep ambtshalve verminderd naar € 783.157,34.

Hof Den Haag oordeelt dat de opbrengstlimiet voor de leges ondanks forse verschillen tussen ramingen en realisatie niet is overschreden. De heffingsambtenaar biedt met zijn overzichten van de ramingen van baten en lasten en de daarbij gegeven toelichting het vereiste inzicht in de ramingen. Ook de door X opgeworpen twijfel over de ramingen heeft de heffingsambtenaar met zijn toelichting op de prognoses van de aanvragen en bouwsommen naar vermogen weggenomen. Aan de lastenkant geldt dat de kosten van het digitale archief meer dan zijdelings verband houden met de behandeling van vergunningaanvragen en kwalificeren daarom als “lasten ter zake”. Compensabele omzetbelasting mag, overeenkomstig de rechtspraak, achteraf alsnog aan de legeskosten worden toegerekend. De definitie van “bouwkosten” als heffingsmaatstaf in de tarieventabel is duidelijk en sluit aan bij het begrip zoals door de Hoge Raad is ingevuld. Dat het normblad NEN 2699:2017 niet ter inzage heeft gelegen, is niet van belang, nu de heffingsambtenaar heeft verklaard dat de definitie van ‘bouwkosten’ uit de Tarieventabel weliswaar exact overeenkomt met de in het normblad opgenomen definitie, maar in de Verordening niet expliciet daarnaar wordt verwezen. Klik hier om verder te lezen.

Afvalstoffen- en rioolheffingen

Rechtbank Noord-Nederland vernietigt een aanslag afvalstoffenheffing voor een recreatiewoning aan het Paterswoldsemeer

X is gebruiker van een recreatiewoning in Haren. Voor de gemeentelijke herindeling in 2019 ontvangt zij van de gemeente Haren een aanslag afvalstoffenheffing van laatstelijk 97,30 euro. Na de toetreding tot de gemeente Groningen worden over 2021 en 2022 geen aanslagen opgelegd. Voor 2023 volgt een aanslag van 308,52 euro. De tarieventabel, die hoort bij de gemeentelijke Verordening afvalstoffenheffing 2023, bevat een tarief voor recreatiewoningen, waarvan de gebruiker stelt niet als ingezetene staat inschreven in de BPR. X stelt dat dit tarief niet geldt, omdat zij wel als ingezetene staat ingeschreven op het adres van haar hoofdverblijf in een andere gemeente.

Rechtbank Noord-Nederland vernietigt de aanslag afvalstoffenheffing voor een recreatiewoning aan het Paterswoldsemeer. De aanslag is gebaseerd op het tarief dat volgens de tarieventabel geldt voor recreatiewoningen waarvan de gebruiker niet in de BPRK is ingeschreven. X stond echter wel in de BRP ingeschreven, zij het in de gemeente van haar hoofdverblijf. Een gemeentelijke belastingverordening moet helder en objectief zijn. De tekst laat geen ruimte voor interpretatie: het tarief geldt uitsluitend voor gebruikers die nergens in Nederland in de BRP staan ingeschreven. Dat de gemeentelijke wetgever eigenlijk ook gebruikers van recreatiewoningen met elders geregistreerde adressen wilde belasten, is niet relevant. Omdat dit onderdeel van de tarieventabel als lex specialis voorgaat op de algemene tariefbepalingen, kan de heffingsambtenaar niet terugvallen op die algemene tarieven. Het beroep van X is gegrond. Klik hier om verder te lezen.

Gemeente voldoet aan inzamelplicht voor afvalstoffenheffing

Het Hof Den Haag oordeelt dat de gemeente voldoet aan haar inzamelplicht. De gemeente biedt aan X de mogelijkheid om op een inzamelpunt dichthij het perceel, zijn huishoudelijk afval aan te bieden.

X is eigenaar en gebruiker van een perceel in de gemeente Noordwijk. Het perceel ligt aan een onverharde weg van circa 315 meter lang. Aan het begin van de onverharde weg, staat een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr.’. Om schade aan particuliere terreinen en vuilniswagens te voorkomen, heeft de gemeente met het afvalverwerkingsbedrijf de afspraak gemaakt dat vuilniswagens niet op particulier terrein hoeven te rijden. De gemeente heeft een inzamelpunt aangewezen dat ligt aan de openbare weg. X stelt dat de afstand van het perceel tot het inzamelpunt te groot is. De gemeente voldoet daarmee volgens hem niet aan haar inzamelplicht om bij het perceel het afval op te halen. In hoger beroep is in geschil of de gemeente voldoet aan haar wettelijke inzamelplicht.

Hof Den Haag oordeelt dat de gemeente voldoet aan haar inzamelplicht. De gemeente biedt aan X de mogelijkheid om op een inzamelpunt zijn huishoudelijk afval aan te bieden. Niet in geschil is dat het aangewezen inzamelpunt de dichtst bij het perceel van X voor het openbare rijverkeer openstaande en voor de ter plaatse gebezigde vuilniswagens toegankelijke weg is. De inzamelplicht omvat niet het ophalen van huishoudelijke afvalstoffen die zich op particulier terrein bevinden. Bovendien staat aan het begin van de zandweg een bord met daarop de tekst ‘eigen weg, verboden toegang Art. 461 Wetb v Strafr’. Er geldt geen maximale afstand van het perceel van X tot het inzamelpunt. Het hoger beroep is ongegrond en de aanslag blijft in stand. Klik hier om verder te lezen.

Vanwege inschrijving in BRP geen grondslag voor aanslag afvalstoffenbelasting

In deze zaak is de aan X (belanghebbende) opgelegde aanslag afvalstoffenheffing 2023 in geschil. De aanslag is opgelegd voor de recreatiewoning van X aan het Paterswoldsemeer in de voormalige gemeente Haren. Na herindeling is Haren samen met de voormalige gemeenten Ten Boer en Groningen tot een nieuwe gemeente Groningen samengevoegd. 

Rechtbank Noord-Nederland overweegt dat in onderdeel 1.4 Tarieventabel behorende bij de toepasselijke verordening van de gemeente Groningen een tarief is bepaald specifiek voor een recreatiewoning of een tweede woning ‘waarvan de gebruiker niet als ingezetene staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen’. X staat in casu wél ingeschreven in de BRP, ook al is dat niet op het adres van de recreatiewoning. De Rechtbank oordeelt daarom dat de formulering van onderdeel 1.4 Tarieventabel maakt dat X niet op grond van dit onderdeel belast kan worden. De Rechtbank ziet in de context van de verordening en de tarieventabel ook geen aanleiding om de tekst anders te interpreteren. Aangezien er maar één bepaling in de tarieventabel is die voor recreatiewoningen geldt, te weten onderdeel 1.4 en X niet onder die bepaling valt, is er geen grondslag voor de aanslag. De aanslag wordt daarom vernietigd. Klik hier om verder te lezen.

Aanslag gemeentelijke en waterschapsbelasting aan belanghebbende die in een mantelzorgwoning woont wordt terecht opgelegd

Belanghebbende woonde in een mantelzorgwoning gelegen in de tuin van een andere woning. De mantelzorgwoning is zelfstandig bewoonbaar en is beschikt over alle voorzieningen. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het belastingjaar 2022 aangeslagen als eenpersoonshuishouden voor de afvalstoffenheffing, rioolheffing, zuiveringsheffing en watersysteemheffing. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Belanghebbende stelt dat zij samen met haar dochter en schoonzoon een gezamenlijke huishouding heeft, maar het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Het Hof is van mening dat de hoogte van de aanslagen terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.

Het Hof geeft hiervoor onder andere de volgende argumenten. De mantelzorgwoning beschikt over een eigen ingang, verwarming, keuken en sanitaire voorzieningen. Hieruit kan vastgesteld worden dat belanghebbende zelf een particuliere huishouding voert. Aangezien belanghebbende in de woning woont produceert zij afval en voert zij vanuit de mantelzorgwoning water af op de gemeentelijke riolering. Daarnaast staat belanghebbende ingeschreven op het adres van de mantelzorgwoning.

Belanghebbende heeft ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan, omdat de heffingsambtenaar tijdens de zitting niet wist of er vergelijkbare gevallen waren in de gemeente. Later ligt de heffingsambtenaar toe dat alle afzonderlijke mantelzorgwoningen aanslagen voor dezelfde heffingen krijgen. Belanghebbende heeft dit niet weersproken en daarom slaagt ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Klik hier om verder te lezen. 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

4. Verantwoording

In de verantwoording komen we bij het laatste deel van de P&C cyclus, namelijk de jaarstukken. Het college legt verantwoording af aan de raad over het gevoerde beleid. Realisatie en coördinatie van de jaarstukken, maar ook de accountantscontrole, zijn altijd piekmomenten in het jaar. Wij kunnen hier veel voor u betekenen.  

3. Beheersing & Toezicht

Sinds 2023 moet het college een rechtmatigheidsverklaring afgeven aan de raad. Het is hierdoor extra urgent geworden om de interne beheersing goed voor elkaar te hebben. Een goed ingericht risico- en procesmanagement. Hier zit een hele wereld achter om als organisatie in control te komen. Wij helpen u hiermee graag verder. 

2. Sturing & informatie

Onder sturing & informatie vallen de financiële producten van de planning & control cyclus. Dus de begroting en de tussenrapportages. De kadernota valt hier deels onder, maar past meer onder kaders & beleid. Wij kunnen u begeleiden in de totale P&C cyclus. Realisatie, coördinatie & doorontwikkeling. 

1. Kaders & beleid

De kadernota is de opmaat voor een begroting. Het college kan hier samen met de raad een start maken met nieuw beleid. Wij kunnen u begeleiden met de realisatie van de kadernota. Maar ook bij het doorrekenen van scenario’s en risico’s. Advisering over haalbaarheid en strategische keuzes. En tot slot kunnen wij u ook ondersteunen bij de actualisatie van financiële verordeningen en nota’s.

Laatste nieuws

Komende opleidingen